~

Oosthuyzensche Organisten

Oosthuizen - In vervolg op het artikel, dat wij voor enige tijd over de kerk alhier publiceerden achten wij het voor onze lezers wel interessant een overzicht te geven van de bespeling van het mooie orgel in deze kerk na de reformatie. Verscheidene gegevens hierover mochten wij ontvangen van de heer Cor Kee uit Zaandam, waarvoor wij deze heer zeer erkentelijk zijn.

Het Oosthuizensche Orgel en „wie dit bewaert en de daer op gespeult hebbe".

Of het orgel in 1656, dus na de reformatie, al weer in gebruik genomen was bij de godsdienstoefeningen, is niet komen vast te staan. Zo dit wel het geval is geweest, dan was de schoolmeester Pieter Claesz hoogstwaarschijnlijk één van „de bewaarders" (onderbolder) en de „mulders" van dit orgel. En zo niet, dan toch in naam. Wellicht vervulde hij deze tak van kernmuziek ,,dat hij 't volck voorging in 't singen".

Want volgens latere aantekeningen was 't schoolmeesterambt gecombineerd met dat van organist, voorzanger en voorlezer. Deze combinatie kwam toen en nog vroeger tamelijk veel voor. Ook vóór de reformatie was vaak de schoolmeester tevens organist.

In 1664 is een zekere Schames -of Thames?- Winter aanwezig. Misschien de opvolger van Pieter Cleaz? Meester Winter bleef niet lang in Oosthuizen, want in 1668 vertrok hij reeds.

Zijn plaats werd ingenomen door Jan Albert wiens verblijf ook niet van lange duur is, daar hij vijf jaar later het dorp verlaat.

De vacante plaats wordt ,,23 februari in 't jaar des Heere Duysend en zeshonderd vier en seventig ,,weer vervuld door de „aanstelling van Pieter Peltz Taedt, medeburger, en van wie men bij „onderrechtinge" vernomen had van ,,sijne getrouwichtheyt, bequamheyt ene vroomheyt".

 Wat echter het laatste aangaat: niet altoos schijnt dit vlekkeloos te zijn gebleven, want twee jaar na zijn benoeming wordt meester Pieter Taedt „vanwegen syn ergenis en schandelijkhijt het Heilig Avondmaal ontsegt, alsmede syn vrouw Trijn Lammerts, die enigsinds aan de fouten van de min schuldig is". Later heeft hij blijkbaar geen aanstoot meer gegeven en staat hij zelfs bij de kerkenraad gunstig aangeschreven. Want als er een kwestie is tussen de ambachtsheer en de kerkenraad over Taedt, pleit de laatste voor hem en beveelt hem aan.

Taedt wordt opgevolgd daar Abraham Jansen Ooms, die in 1700 vertrekt naar „het dorp Middelrode buyten 's-Hertogenbosch en de 20e December van datzelfde jaar doet Eigel Gerbrantzoon van de Beets zijn intree in Oosthuyzen. In 1716 komt het „Meestershuys" weer leeg te staan door het heengaan van Jan Moenes die voor Beets in de plaats was gekomen.

 En daar men met het oog op de Christelijke gemeente als ten opzichte van de jonge jeugd en anders (en anderszins) ten hoogste nodig vond, dat weer een ander bekwaam persoon werd aangesteld, kwam weer aan de orde het aanstellen van een veelzijdig ontwikkelde schoolmeester.

Veelzijdige schoolmeesters
Want men moet weten, dat de meester behalve het organist-, voorzanger-, voorlezer-en nu ook kosterschap, ook in staat moest zijn verschillende „kleinigheden" te verrichten als kruiwagenlopen, straat wieden, turfschuur teren enz. enz. In onze oren klinkt dit vreemd maar toentertijd was het iets heel gewoons, dat de onderwijzer, terwijl de jeugd lessen leerde en sommen maakte, zich bezig hield met klompen snijden, haarknippen, scheren, schoenen lappen of het uitoefenen van een ander ambacht. „Om redenen dat haar salariën is wat magher" waren zij daartoe wel verplicht. In Oosthuyzen was het tractement f 120,- 's jaars plus vrij wonen en verdere emolumenten. Maar met dat al hadden de meesters heel wat in hun mars. Er waren er zelfs onder, die niet te Oosthuyzen, maar elders, die het orgelmakersvak goed verstonden. Eén en ander had echter wel eens een verkeerde uitwerking op des meesters trots en bracht hem er toe met „lange pruiken en op de borst en schouders zwevende haren" in de gemeente te verschijnen tot ergernis van zeer veel leden. Maar laten we hierover niet verder uitweiden, ook tegenwoordig vindt men nog mensen van een dergelijk slag, maar zie wie de gelukkige sollicitant was, die zich deze vijfvoudige functie zag toebedeeld.'

Een Broeker onderwijzer, die te veel vooruit zong!
Dit was Theodorus Schadd. Over hem vonden wij verder niets aangetekend en uit gaande van het gezegde „geen bericht, goed bericht" zullen we maar aannemen, dat hij zijn werk goed verricht heeft en niet gedaan heeft als bijvoorbeeld meester Jakob Tentz te Broek in Waterland, de al teveel vooruit zingende voorzanger op wie Cornelis Schoon onderstaand „gedicht" maakte:

Tentz heft aan, met een vervaarlijke galm
Den honderd vijf en dertigste berijmde psalm

Schoon dat de vorige nog op geen vers na uit was.
En of dat in de kerk een misselijk geluid was

Dat is geen wonder, want ieder dient te weten
dat deze man met recht vóórganger was

Heeft Jakob
Een kwakop
Patientie
Met Tentzi

Organist en Voorzanger
Na Schadd vonden we als organist vermeld Maarten Oostwoud. Hoe deze en ook de andere organisten het klaar speelden tevens voorzanger en voorlezer te zijn? Wellicht als hun Groninger collega's, van wie de bekende Goudse organist-schrijver Hess in zijn ,,Disposities der merkwaardige kerkorgelen" vertelt, „dat de voorlezer na het aflezen der Psalm op het orgel ging, beginnende onder het aanslaan van de toon des Orgels, tevens zijn stem te verheffen".

Maarten Oostwoud is tot 1758 gebleven.

Toen Thomas Schadd in 1716 schoolmeester werd, zijn burgemeesteren, kerkmeesteren en kerkeraad overeen gekomen, alles wat hun omtrent de verkiezing van een schoolmeester, koster of voorzanger te doen stond, te behandelen na wijze van conventie, dat wil zeggen zoals zij, overeen gekomen waren in overleg met de Ambachtsheer in 1681.

Maarten Oostwoud begeerde reeds in 1754 af te treden: hij was ziekelijk en werd bijgestaan door zijn schoonzoon Pieter Dekker, toen wonende in de Beemster. In dat jaar verzoekt hij de Kerkeraad om de persoon van Pieter Dekker in zijn plaats te benoemen, onder belofte, dat hij dan vrijwillig afstand zal doen. De kerkeraad antwoordt hem, dat bij contract van 3 Augustus 1681 met de Ambachtsheer was overeengekomen, hoe in een vacature van voorlezer enz. gehandeld moest worden en dat daarom de kerkenraad niet in haar vermogen had om deze ambten te verlenen. Toen was Cornelius Rogaar predikant. Wanneer Oostwoud in 1758 aftreedt, wordt hij opgevolgd door zijn schoonzoon Pieter Dekker, die intussen als opvolger was benoemd en inmiddels te Oosthuizen was komen wonen. Maarten Oostwoud overleed in 1760 en werd op 27 december van dat jaar in de kerk begraven. Op zijn grafsteen No. 211 staat: C. P. en verder als merk een verticale lijn waardoor drie dwarslijntjes.

Toen Pieter Dekker In 1758 schoolmeester enz. werd, is ordonnantie en reglement opgemaakt, die hieronder volgt:

‘Zo zal de schoolmeester die alrede is en die namaals hetzelve Ambt zal komen te bekleden, gelegenen tijden te oefenen, zo vóór als na de schooltijd en wel principalyk in het spelen op het Orgel, in het leren en onderhouden van de schrijf- en cijferkunst om dezelve wel vast en perfect te verstaan.’

‘Zullen in het voorzingen en lezen gehouden zijn te volgen de gewoonlijke stijl en manieren dagelijks en van ouds in de Kerk gebruikelijk geweest, zullende zij zorg dragen, dat het gehele Psalmboek van voren tot achteren gezongen worde.’

‘Insgelijks word de kosters, die alrede zijn en namaals zouden mogen komen, wel expresselijk gelast de deur van de trap naar het orgel te sluiten alsmede geen jongens, kinderen en andere daar op te laten treden, nog veel minder spelen, hetgeen strekken zou tot bederf van 't gemelde orgel.’

Voorzangers- en ontvangersambt verenigd
In latere tijd werd naast de organist een afzonderlijke voorzanger, voorlezer aangesteld. In de tijd van Dirk Stil was het reeds zo. Toen was aan het voorzangersambt tevens verbonden met het kerkelijke ontvangerschap.

Deze Dirk Stil kreeg voor het bespelen van het orgel in de eerste jaren een douceur. In 1842 verzocht hij om voortaan daarvoor te mogen genieten enig vast tractement, te boven gaande wat hij tot nu toe genoten had. Waarop gedelibereerd zijnde besloten is de adressant toe te staan, een jaarlijks tractement van vijftig Gulden. De 6e mei 1857 wordt op zijn aanvraag besloten het tractement te verhogen tot f 75.— 's jaars onder bepaling dat hij een jong mens na zijn verkiezing én ons genoegen het bespelen van het orgel leert.

Van Stil wordt nog een door hem vervaardigde eenvoudige toonzetting der Psalmen bewaard. Het schijnt een goed musicus te zijn geweest, niet zonder gaven. Daar het notulenboek van de kerkvoogdij over de jaren tussen 1875 en 1913 ontbreekt, kan niet worden nagegaan, wanneer Dirk Stil in dienst is gekomen en wanneer hij als organist is afgetreden. Evenzo is dit het geval met Jan Hoogland, Jan Dekker en Piet Louwers. Mejuffrouw Jansje Bos volgde Stil op, terwijl zij werd opgevolgd in 1899 door de Heer Jb. Sjoukes, die ook heden ten dage nog het Oosthuizer kerkorgel bespeelt.

Lijst der Oosthuizer organisten. De opeenvolging der Oosthuizer organisten zou dus zijn: '

van 1656 tot 1664 Pieter Claesz;
van 1664 tot 1668 Schema (Ternes) Winter;
van 1668 tot 1673 Jan Albert:
van 1674 tot ? Pieter Pietz Teadt;
 van ? tot 1700 Abraham Jan. sen Ooms;
 van 20 Dec. 1700 tot ? Engel Corbrentz van de Beets;
 van ? tot 1716 Jan Moetjes;
 van 1716 tot ? Theodorus Schadd;
 van ? tot 1758 Maarten Oostwoud;
 van 1758 tot 1703 Pieter Dekker;
 van 1703 tot 1814 Jacob Ruyter, Jan Hoogland Dirk Stil, mej. Jansje Bos;
 van Oct. 1899 tot heden Jacob Sjoukes.

Bron: De Waterlander 01-02-1936

In memoriam: JAN ZWART

Tot zijn voldoening vond de Redactie Cor Kee (leerling van wijlen den heer Jan Zwart) bereid om zijn leermeester in dit nummer te gedenken. Gaarne laten wij het stuk van collega Kee hieronder volgen.

Jan Zwart, orgelist!
Zóó wilde hij graag genoemd zijn. Niet ook nog dit of dat. Alleen orgelist. En dàt was hij ook en zóó is hij bekend geworden in ons land. Al wat "des orgels" was, had zijn liefde. Hij was een enthousiaste werker.

Om twee dingen naar voren te brengen die hem na aan 't hart lagen:
Hoe heeft hij geijverd om belangstelling te wekken voor het orgel, inzonderheid bij het volk. En zijn ijver is met succes bekroond geworden. Hij wist op bijzondere wijze de volkssnaar in trilling te brengen.
En dan: wat heeft hij niet gedaan om den Nederlandschen orgelist een klaar inzicht te geven in de zoo belangwekkende orgelhistorie van zijn land. Zijn kennis was op dit gebied heel groot. Veel is door zijn naspeuringen aan het licht gebracht en foutieve meeningen gecorrigeerd.

Voor zijn werken moeten wij hem dankbaar zijn!
Zaandam. COR KEE.

(Uit Maandblad Het Orgel augustus 1937, 34e jaargang no. 11, bl. 93.)

Restauratie Müllerorgel NH-kerk Beverwijk

Naar wij vernemen zal met ingang van 1 Mei 1936 de restauratie van het mooie orgel in de Ned. Herv. Kerk ter hand worden genomen. Uitvoerder van dit werk is de bekende orgelbouwer H. W. Flentrop te Zaandam, onder toezicht en volgens de adviezen van de heer Cor Kee, organist te Zaandam.

Het orgel in de Ned. Herv. Kerk is één van de schone producten van de Duitse orgelbouwer Christiaan Müller, die grote vermaardheid heeft gekregen door zijn orgel in de Grote of St. Bavokerk te Haarlem. Aan zijn werk is in de loop der jaren veel veranderd, behalve aan het Beverwijkse orgel, dat het ruime kerkgebouw nog vult met de echte Müllerklanken.

De tand des tijds heeft het koninklijke instrument niet onaangetast gelaten en reeds enige jaren geleden was men tot de ontdekking gekomen, dat restauratie een gebiedende noodzaak was. De kerkvoogdij zag zich voor de moeilijkheid geplaatst de daarvoor nodige gelden bijeen te brengen.

Er werd een orgelfonds gevormd en degenen, die hun krachten aan de voorbereidingen van het restauratiewerk gaven, kwamen tot de gelukkige ontdekking, dat velen liefde koesterden voor het prachtige instrument, dat ook uit historisch oogpunt bezien, voor Beverwijk al een even belangrijke waarde heeft als het eeuwenoude bedehuis, waarin het werd geplaatst en de sierlijke toren, die al evenzeer de eeuwen trotseerde. De bekende organist Cor Kee die het Beverwijkse orgel dikwijls bespeelde uitte in april 1935 in het maandblad’ „Het orgel” zijn bezorgdheid over de komende restauratie in de volgende zinsnede: „Hoe is het te hopen”, zo schreef hij, „dat dit zo goed als ongeschonden Müllerwerk bij de komende restauratie niet verknoeid wordt”. Het zal hem ongetwijfeld des te meer tot vreugde strekken, dat juist hij als technisch adviseur de aanstaande restauratie leiding zal geven.

Cor Kee deskundig adviseur
De leden van de kerkvoogdij hebben deze zaak zeer nauwkeurig en met grote ernst voorbereid. Zij realiseerden zich volkomen de grote nauwgezetheid en wij zouden willen zeggen de piëteit, waarmede het waardevolle bezit, dat dit Müller-orgel is, voor het nageslacht moet worden bewaard. Drie deskundigen werden uitgenodigd "de noodzakelijke restauraties te bekijken en uit hun midden een adviseur aan te wijzen, die tevens bij de werkzaamheden als technisch leider ‚zou moeten fungeren. Cor Kee zag zich met deze taak belast. Het bestek, waarin de werkzaamheden nauwkeurig werden omschreven, werd samengesteld en van de inschrijvingen, die daarop werden ontvangen was de orgelfabriek H. W. Flentrop te Zaandam met f3300,- de laagste, aan wie het werk werd opgedragen. Men kan er zich slechts over verheugen, dat deze restauratie zo serieus door de kerkvoogdij is voorbereid. Deze heren hebben ten volle beseft, dat zij ‚ verantwoording droegen voor het behoud, zoveel mogelijk in de oorspronkelijke staat, van het Müllerorgel. Zij hebben zich van hun moeilijke taak gekweten op een wijze, die bevrediging wekt bij allen, die doordrongen zijn van de grote betekenis van het orgel in de eredienst niet alleen, maar ook van de juiste waarde, die aan een dergelijk kostbaar erfstuk uit vervlogen eeuwen moet worden gehecht.

Een kostbaar geschenk
Het orgel in de Ned. Herv. Kerk is, wat velen misschien niet eens zullen weten, een schenking. Het is namelijk geschonken door Vrouwe Anna Elisabeth Geelvinck, weduwe van Johannes Lucas Pels van Hoogelanden. De bouw van het orgel werd in 1755 aanbesteed en opgedragen aan Christiaan Müller, die het instrument in 1756 opleverde. Müller was een van de vele Duitse orgelmakers, die in de 18e eeuw in ons land werkzaam waren. Hij kwam uit Andreasberg in de Harz en kreeg grote vermaardheíd door het St. Bavo-orgel te Haarlem, dat hij tussen 1735 en 1738 gebouwd heeft.


Wat de schenkster wel bewogen zal hebben tot haar daad? Cor Kee heeft zich de moeite willen getroosten vele bijzonderheden over het orgel voor het vaktijdschrift van Organisten te verzamelen. In de vroedschap-resoluties van 28 October 1754 vond hij, dat het orgel is geschonken ,‚tot cieraad van de Kerk ende tot meerdere Stigtinge in het zingen der psalmen”.

Volgens een andere lezing zou het orgel geschonken zijn „voornamelijk, omdat de Neef van de begiftigster als een liefhebber van de muziek telkens daardoor verlokt werd, om naar de Roomse kerk te gaan en zij hem dat liever zag doen in de kerk van hun gezindheid.”

Ongeschonden Müllerwerk van grote waarde
Na de bouw werd het orgel gekeurd door de organist van de Grote Kerk te Haarlem, Henricus Radeker, die het „in alle sijne deelen proefhoudende en voldoende bevond”. De zoon van de inwijder, Johanners Radeker, werd de eerste organist, aangesteld op een jaarlijks traktement van f250,- voor welk bedrag hij dan ook nog „k1okkenstelder” was. Hij werd na vergelijkend examen, afgenomen door de Amsterdamse organist Potholt en na loting met zijn medekandidaat Joannes Sterk uit Amsterdam, benoemd. Een jaar later zag hij zijn salaris met f50,- verhoogd, maar daarvoor moest hij het kostersambt er bij waarnemen.

Hij werd bij resolutie van 7 September 1774 benoemd tot organist en klokkenist te Haarlem en bespeelde daar Müller’s grootste werk.De instructie van de eersten organist is niet meer aanwezig, wel die van de „blaser”, de onmisbare vriend van de organist, de orgeltrapper. Van de opvolgers van Jan Radeker noemen wij Klaas Venlet Huisman, die de betrekking 57 jaar vervulde, F. Tuyl, C. Amse en H. van Doorn. Thans is de heer H. Amse organist.

Vroegere restauraties
In de loop der jaren is het orgel verscheidene keren aan herstellingen onderworpen. In de eerste plaats heeft de zoon van de bouwer het orgel enige jaren in onderhoud gehad. In 1794 contracteerde H. H. Hess, een broer van de Goudse organist Joachim Hess, met de Thesauriers voor het schoonmaken en repareren voor de som van f350,-. Vervolgens wijdden Heineman, Strumphler, Tevis en Wannewetz, orgelmaker te Gouda hun krachten aan het orgel. De firma Meere te Rotterdam herstelde het orgel in 1846 voor een bedrag van bijna duizend gulden. Daarna heeft de Goudse orgelmaker Gabry het orgel enige jaren in onderhoud gehad.

De restauratie, waarmede men thans gaat beginnen, in de grootste, die ooit aan het Beverwijkse orgel werd uitgevoerd. Wij zullen misschien nog wel eens in de gelegenheid zijn omtrent de aard en de omvang dezer werkzaamheden enige bijzonderheden mede te delen.

Zoals wij in de aanhef van dit artikel reeds opmerkten, heeft de kerkvoogdij en allen, die haar assisteerden, reeds een belangrijk bedrag voor de restauratie ingezameld. Ongetwijfeld zal zij er met veler hulp in slagen de nog ontbrekende gelden aan het orgelfonds toe te voegen. Om dit te bereiken zijn nog plannen in voorbereiding. Het stemt in ieder geval tot grote voldoening‚ dat met de zo hoognodige restauratie een aanvang wordt gemaakt, een restauratie, die Beverwijk in het ongeschonden bezit zal laten van een waardevol historisch monument.

Bron: Haarlems Dagblad 2 april 1936

De orgelisten der ‘Groote Kerk’ te Edam

EDAM - Na een vorige maal één en ander verteld te hebben over de orgels, doen we het ditmaal over de orgelisten. Bij ons onderzoek mocht het ons niet gelukken iets te vinden uit den tijd vòòr de reformatie.
Onze eerste aantekening dateert uit 1595: ,,...betaelt aan den houtslaagher van ’t blaasen bij avont vrijdags om met meester Jan die orgel schoon te maken."

door COR KEE

Hoewel deze aantekening vaag is in zijn aanduiding en niets definitiefs zegt over de orgelist, is het toch niet te gewaagd te veronderstellen dat deze ‘Meester Jan’ één der Edammer orgelisten is geweest.

De tweede aantekening uit 1649, is belangrijker, daar deze ten eerste duidelijk spreekt van de orgelist en ten tweede één en ander over hem vertelt, bijvoorbeeld wat hij alzo te doen had, en dat is, zoals ge zult bemerken, zeer uiteenlopend geweest en dan wat zijn jaarlijks salaris was en óók, dat hij daar niet meer mee accoord ging. Want deze aantekening behelst een verzoek om verhoging hiervan: ,,Jan Pieters, organist, hebbende 400 guldens jaarlijks voor tractement voor sijn clokstellen, clokspeelen, voorsingen en de opsichte op het buskruidt en nog agtien voor Jan Thijs tot sijn behulp, heeft versocht van vermeerderinge van sijn tractement“. Hij smaakte het genoegen een opslag van 50 gulden te krijgen.

In de tijd, waarvan sprake is in onze aantekening, zal Jan Pieters wel niet te doen gehad met het orgel in de Grote Kerk. Om de eenvoudige reden, dat er toen geen een was. Immers was er van de orgels bij de brand van 1602 niets meer overgebleven en werd de herbouwde kerk pas in 1663 weer een orgel rijk. Trouwens, in bovenstaande aantekening staat ook niet, dat hij tractement genoot voor zijn orgelspel. Wél voor zijn „clokspeelen, clokstellen“ enz. Maar naar alle waarschijnlijkheid heeft hij toch een orgel bespeeld, namelijk dat in de Kleine Kerk en werd het salaris daar voor door de kerk betaald.

Uit latere gegevens blijkt dat de orgelist van de Grote Kerk ook dat in de Kleine Kerk moest bespelen. Zowel het één, gedeeltelijke salariëring door de Kerk,als het ander, dat de orgelist van de Grote Kerk tevens het orgel in de zogenaamde Kleine Kerk bediende, kwam toentertijd meer voor.

In 1669 verzoekt de weduwe van „Mr. Frans Cornelis, organist, eenige verhoginge van Tractemente van eenige voorgaande jaare sedert de nieuwe orgel in de Grote Kerk is gemaakt” omdat zijn dienst toen ,,merkelijk was verswaart, moetende spelen onder ‘t singen.”
Deze aantekening is niet alleen daarom interessant dat we weer een naam leren kennen van een 17e eeuwsche orgelist, maar vooral, dat we hierdoor te weten komen, wie de eerste orgelist is geweest van het nieuwe orgel in de Grote Kerk en wie voor het eerst aldaar de gemeentezang begeleidde.
In 1672 wordt het tractement van ,,de organist” verlaagd van f 350,- op f 200,-
Wie die ongelukkige is geweest, die zoveel gekort werd op zijn salaris, kunnen we niet meedelen, evenals wie tot 1760 deze betrekking hebben waargenomen.

In Bouwstenen III komt onder de lijst van ,,orgels, organisten enz.”in 1760 en 1761 tweemaal de naam voor van een Edammer orgelist en wel P. Havingha dezelfde bedoeld als C. Havingha, van wie we aanstonds iets, al is het niet direct belangrijk, zullen meedelen. In bovenstaande lijst is meermalen een fout ingeslopen.

Van C., namelijk Coenraad Havingha, lezen we dat het hem in 1772 ,,wegens desselve klimmende jaare en ongemakken aan ’t been, niet wel mogelijk is het klokkenspel behoorlijk te versteeken.” De orgelist van Monnickendam biedt zich aan dit te doen en krijgt daartoe de volmacht. Deze moet nu voor f 50,- ’s jaars ,,de Ton versteecken”, en het orgel schoon houden. Havingha mag „zig verder alleen met de muziek bemoeien". Zijn tractement bedroeg f 250.—

Havingha’s opvolger is Wolterius Rijnders geweest. Hij werd in 1777 benoemd en daar zijn instructie bewaard is gebleven, kunnen we daardoor een blik krijgen op de werkzaamheden die de orgelist te Edam in die dagen te verrichten had. En dat was niet weinig.

Het orgel in de Grote kerk moest hij bespelen: „dinsdags en saturdags, somers van 5-6 uur, ’s winters van 3-4 uur; sondags voor en na de predicatie en ook des avonds gedurende het luyde der Klokken alsmeede op alle feest-, bede- en gedenkdagen

En het orgel in de Kleine kerk: „Wanneer daar dienst is alsmeede het gehele,
jaar door des donderdags na de middag van 4-5 uur." Verder moest hij de orgels. nazien en schoonhouden. Het klokkenspel moest hij bedienen: „des somers sondags van 6½ —7½ en dagelijks het hele jaar door ’s middags van 11½-l2½ op marktdagen, so ordinaire en extra ordinaire van 9½-10½ op jaarmarkten alle dagen ’s morgens van l0½-l2 en namiddags van 2-4 uur.

 Dan moest hij het spel nazien enz. Verder was hij verplicht twee kinderen uit de weeshuizen les te geven. Evenals zijn voorganger bedroeg zijn jaarlijks tractement f 250.—‚ Niet altijd schijnt Rijnders zijn instructie trouw opgevolgd te hebben. Want in 1793 wordt door Heeren Kerkmeesters geresolveerd, dat, „vermits de tegenwoordige organist Reijnders, niettegenstaande herhaalde aanmaninge en waarschuwing, veelal in gebreke blijft om, ingevolge het 2e artikel zijner instructie van dato 15 Maart 1777, des Saturdags ’s middags het orgel in de Grote Kerk te Tracteren en daardoor ook sommige Liefhebbers van dat aangename te …? deselve mondeling te gelasten, gelijk geschied is bij deezen om alle Saturdag Middagen van de eerste April tot de eerste October van 5-6 uren en van de eerste October tot de eerste April van 3-4 uur het gemelde orgel met geopende kerkdeuren te bespelen.  En dat bij gebreke van dien, hem voor iedere Reys verzuym drie Gulden van zijn Tractement zal worden ingehouden en gekort.

Liefde voor den dranck
De oorzaak van dit verzuim schijnt wat te veel liefde voor de drank te zijn geweest.  Dat een orgelist, die daarmee behept is, tot heel eigenaardige dingen in staat is, doet ons het volgende zien:
Op zekere zondagavond in 1797 speelde „de organist niet alleen de na psalm gantsch verward”, maar had na eindigen van het vers „voortgespeeld, zodat de Predikant buyten staat was de zeegen te spreecken". Toen men boven kwam, vond men „Reijnders door den drank gantsch buyten staat het Orgel te Tracteren." Hij werd hierna voor enige weken „in zijn bediening gesuspendeerd met inhouding van Tractement". In die tijd bespeelde Gieles Bosma het orgel voor een douceur van f 14.—.

Later belooft Rijnders „beterschap, wordt gerehabiliteerd ende hersteld’’. In 1798 sterft hij en wordt Bosma op zijn verzoek, na het afleggen van een examentje aangesteld als ,‚organist en klokkenist". Bosma schijnt zich echter niet aan de orde van de Kerkmeesters hebben kunnen onderwerpen, zodat hij per slot toch de betrekking niet krijgt.

Er wordt nu een advertentie geplaatst in de Amsterdammer en Haarlemmer couranten‚ waarop zich 14 sollicitanten aanmelden, waarbij ook onder andere de later zo bekend geworden orgelist Brachthuyzer. Deze zal toen wel niet hebben kunnen vermoeden dat hij drie jaar later in 1801 één zijner examinatoren, A. C. Boerse als orgelist zou opvolgen, n.l. van de Nieuwe Kerk te Amsterdam. De andere examinator was Corlijn van Alkmaar.

Donderdag 2 augustus 1798 werd het examen gehouden.
‘s Morgens om 8 uur al wachtten de kerkmeesters de sollicitanten op in het Stadslogement, alwaar zij en ook de examinatoren ‚verblijf zouden houden en eten krijgen”. Tevens kreeg de sollicitant een douceur van f 1,-

 Daar men alles ‚suiver en eerlyk” wilde houden konden ‚,examinandi en examinator elkander niet zien en vooraf leren kennen.” ’s Morgens werd op de klok gespeeld. Er werd geloot wie het eerst zou spelen. Tijdens het proefspel wandelden de examinatoren op straat en beluisterden een en ander met hun kritische oren.

Open kerkdeuren tijdens examen
Het orgelexamen werd ’s middags 15:00 uur in de Groote Kerk gehouden, waarbij ook de gemeente tegenwoordig mocht zijn, want de predikant had zondag te voren van de kansel bekend gemaakt, dat „de kerkdeuren open zouden zijn". De dienaar des Woords hield „een gepaste aanspraak”. Alle sollicitanten moesten
„Ps. 57 spelen en een stuk." Hij die als overwinnaar uit de slag kwam was Gerrit Veerman van Breukelen.

Vele jaren heeft Veerman Edam laten genieten van zijn spel alhoewel het in
1846 de gemeente niet meer zo kon bevredigen. Men wilde naar de geest des tijds beter overeenstemmend orgelspel. Veerman schijnt aan dat verlangen niet te hebben kunnen voldoen. Men besloot een andere orgelist te nemen, die dan zolang Veerman nog in het leven was, tot assistent benoemd zou worden. Er werd een oproep gedaan en na een examen (ook op de piano en viool)dat afgenomen werd door de Heeren Worp, Kwast en Nieuwenhuis, werd Wagener uit Bergen op Zoom benoemd. Later volgde hij Veerman op.
Daar er verder niets bijzonders meer valt te vermelden, zullen we het hierbij
laten.

 Bron: Het Orgel

Schrijf een commentaar: (Klik hier)

123website.nl
Tekens over: 160
OK Verzenden.
Bekijk alle commentaren

Nieuwe commentaren

05.09 | 20:54

Mooie en informatieve tekst

...
03.01 | 14:15

Mooi om (toevallig eigenlijk) hier te komen 20 jaar na het overlijden van Cor Kee.

...
18.02 | 14:09

Zet deze video erbij:
https://www.youtube.com/watch?v=oTsDgY6CqEM.
Kee's muziek klinkt aanzienlijk beter op een fraaie Witte
dan op een electronicum.

...
22.01 | 00:56

Wat een tijd. de vijftige jaren. Wat heeft mijn Opa daar vaak over vertelt, dat hij naar de samenkomsten ging van Hermann Zeiss. Wat een beleving.......

...
Je vindt deze pagina leuk