Standaard pagina

Improviseren en improvisatieconcerten

Het Hagerbeer-orgel in de Pieterskerk te Leiden

Ter inleiding op het concert te geven door Cor Kee

Iedere bezoeker van orkestconcerten weet dat in elk concert voor een solo-instrument met orkestbegeleiding tenminste een cadens voorkomt waarin de solist gelegenheid krijgt zijn virtuoze eigenschapen te tonen. Tegenwoordig worden deze cadensen door de componisten uitgeschreven, maar ten tijde van Mozart en Beethoven werden zij door de instrumentalist geïmproviseerd. Ieder uitvoerend musicus werd toen in staat geacht een thema onvoorbereid op zijn instrument uit te werken en eerst toen de improvisatiekunst in verval geraakte begonnen de componisten de cadensen te componeren.

Dat de improvisatiekunst in de 17de en 18de eeuw bloeide en in de 19de eeuw in verval raakte hangt samen met de toenemende specialisering, die ook op muziekgebied haar invloed heeft doen voelen. In Bachs tijd was een musicus niet óf virtuoos óf componist óf theoreticus, maar hij was virtuoos. Meestal op verschillende instrumenten. Componist, theoreticus, improvisator, hij was een allround musicus. De steeds hogere eisen, die aan het vakmanschap gesteld worden hebben tot gevolg gehad, dat wij grote virtuozen kennen, die niet in staat zijn acht maten te componeren of te improviseren. Componisten als Wagner en Schönberg die geen enkel instrument uitstekend beheersten,  musicologen voor wie de kunst in de eerste plaats een wetenschap is. Dit sluit niet uit dat er ook nu nog genoeg veelzijdig ontwikkelde musici zijn; in de 18de eeuw beheerste echter iedere ontwikkelde musicus elk onderdeel van zijn métier.

Waar moet nu de improvisatiekunst ondergebracht worden, wanneer de musici verdeeld worden in virtuozen, pedagogen, componisten, zangers, theoretici, dirigenten en musicologen? Zij konden nergens ondergebracht worden en trokken zich terug in de kerken. Er zijn weinig gegevens beschikbaar om een gedocumenteerd oordeel over de improvisatiekunst van onze 19de-eeuwsche organisten te kunnen geven. Maar wat wij weten geeft van deze kunst geen al te hoge indruk. Bekend is, dat zelfs de meest vooraanstaande organisten in de eerste helft der 19de eeuw op orgelconcerten naturalistische toonschilderingen ten gehore brachten. Allerlei vogelgeluiden werden geïmiteerd en van een organist te Amsterdam wordt zelfs verteld, dat hij het kraaien van een haan zo natuurgetrouw wist weer te geven, dat de hanen in de buurt der kerk antwoord gaven. Een grote voorliefde toonden de organisten ook voor het uitbeelden van veldslagen, waarin het gebulder der kanonnen afwisselde met het klagen der gewonden, voor stormen op zee en voor onweereffecten.

Hierop is gelukkig een reactie gekomen en deze is uitgegaan van Frankrijk. Terwijl ten tijde van Sweelinck en Bach de grootste musici van hun tijd als organist aan een kerk verbonden waren, werd later de plaats op de orgelbank ingenomen door onbetekenende musici of dilettanten. In Parijs werkten echter in de tweede helft der 19de eeuw twee vooraanstaande componisten, Cesar Franck en Camille Saint-Sains, als organist aan een kerk. Hun spel en hun onderwijs heeft er machtig toe bijgedragen de verloren gegane improvisatiekunst weer in ere te herstellen. Lange tijd was het Parijse Conservatoire het enige muziekinstituut waar de improvisatiekunst systematisch werd onderwezen. Wie de Parijse organisten heeft horen improviseren weet met welk resultaat!


Een van de grootste van deze organisten, Marcel Dupré, concerteerde omstreeks 1930 in de voormalige Laurenskerk te Rotterdam en verblufte de Nederlandse organisten, die uit alle hoeken van ons land waren samengestroomd, met de improvisatie van een dubbelfuga, waarvan de thema's, als mijn geheugen mij niet bedriegt, waren opgegeven door wijlen Dr Johan Wagenaar. Later trad Dupré verschillende malen in ons land als organist op en eindigde zijn concerten steeds met een improvisatie op een opgegeven thema.

Dit voorbeeld werkte stimulerend op verschillende Nederlandsche organisten. Velen begonnen zich intensief op de improvisatie toe te leggen en al spoedig werden improvisatieconcerten gegeven. Deze maand krijgt ook Leiden een improvisatieconcert, dat gegeven zal worden door den organist Cor Kee. En naar aanleiding van dit concert willen wij een korte beschouwing geven.

De improvisator moet zich aan het klavier spontaan in alle vormen kunnen uiten en Dupré heeft dus volkomen gelijk, wanneer hij in zijn „Cours d'improvisation d l'orgue" zegt dat de improvisator een heel metier moet leren beheersen. Beheerst de improvisator dit metier en is hij een groot kunstenaar, dan kan een door hem gegeven improvisatie een artistieke gebeurtenis worden. Maar Tournemire, een van de grootste improvisatoren der laatste halve eeuw, zegt in zijn boekje over Cesar Franck, dat iedere improvisator de treurige ogenblikken kent, dat de geest niet vaardig over hem wordt en de technische routine het gebrek aan inspiratie moet camoufleren.

Wanneer een componist zich niet gedisponeerd voelt legt hij rustig de noten pen neer en wacht tot de invallen weer vanzelf komen. Maar de improvisator, die heeft aangekondigd, dat hij op een vastgesteld uur een fuga of een sonate zal improviseren., moet iets laten horen, of hij invallen heeft of niet. Iets improviseren is tenslotte niet moeilijk, het gaat er maar om of dit iets belangrijks is. Daarom moet een organist al heel zeker van zijn zaak zijn, eer hij het waagt op een concert te improviseren. En nog groter wordt de artistieke verantwoordelijkheid, de hij op zich neemt, wanner hij een concert geheel met improvisaties vult. Dat de resultaten de improvisator meestal geen gelijk geven is herhaaldelijk bewezen. Doch dit zal ons niet beletten de improvisaties van Cor Kee met een blanco voorstellingsvermogen te gaan beluisteren. Intussen leek het ons nuttig, ter inleiding van zijn concert een korte beschouwing te geven.   

HENNIE SCHOUTEN.

Bron: Leidsche Courant 3 augustus 1946

Improvisatieconcert Cor Kee

De Pieterskerk in 1515

Wanneer een componist een werk neerschrijft, is aan dat neerschrijven altijd een lange periode van bewuste of (en) onbe­wuste arbeid voorafgegaan. De improvisa­tor daarentegen, die zonder voorbereiding op een gegeven thema moet improviseren, heeft geen gelegenheid zijn ideeën te laten rijpen en te mediteren over de bewerking van zijn thema's en motieven.

En de kritiek, die hij achteraf uitoefent, verandert niets meer aan het resultaat. Daarom mag men van een improvisatie geen kunstwerk verwachten: meestal heeft een improvisatie meer met vakbeheersing, koelbloedigheid en concentratievermogen dan met kunst te maken.

Van dit standpunt bezien viel in de im­provisaties van Cor Kee zeer veel te waarderen. Kee is een voortreffelijk organist, die vlot en muzikaal, technisch gaaf en met goede registratie improviseert. Hij opende met een Praeludium en Fuga op een thema van Reger, dat opgegeven was door Hans Franco Mendes. In de fuga trof een uitste­kend geslaagde expositie en een in verschillende opzichten interessant slotdeel. Het eerste orgelkoraal, een trio, liep heel vlot en muzikaal en was heel fijnzinnig ge­registreerd. De passacaglia was goed van verhouding, al was de overgang van de langzame naar de snelle variaties mogelijk iets te bruusk. Bij het improviseren wor­den aan het concentratievermogen heel hoge eisen gesteld; mogelijk is dat de reden, waarom de beide laatste nummers, een scherzo en een koraalfantasie, niet op het peil van de eerste stonden.

Bij wijze van experiment is een dergelijke avond wel te waarderen. Wij horen Kee echter liever op een concert gewijd aan meesterwerken der orgelliteratuur.

De kerk was uitstekend bezet. De heer Mens gaf bij elk nummer een korte toe­lichting.

Hennie Schouten

Bron: Leidsche Courant 21 augustus 1946

Improvisatie-concert Cor Kee in de Pieterskerk

De improvisatie: is zij niet eigenlijk de oervorm van alle werkelijk musiceren? Steunend op een hecht fundament van technisch, doch vooral theoretisch kun­nen Kan zij tezamen met inspiratie en fantasie, tevens een beeld geven van het­geen de ziel op het moment der weergave, beweegt en zodoende tot iets wonder­baarlijks uitgroeien. Grote orgelcomponisten waren in die zin op dit gebied meesters al is hun aantal niet groot geweest.

Ik denk aan Buxtehude, Hän­del, Bach. Händel trok daarmee in Engeland en­thousiaste bewondering, de bijna 100- jarige Hamburgse organist Reinken huldigde Bach's improvisatietalent, toen hij zei: „Ik dacht, deze kunst was uitgestorven. Ik zie echter, dat zij in U nog voortleeft".


Voorts denk ik aan een componist uit later tijd; Bruckner. Deze zong met hemelse eenvoud zijn aardse hulpeloosheid en deemoed voor God uit, maar ook met brandend bezielende geloofs­kracht, culminerend in het jubelende „Non confundar in aeternam' . Waarom bleven diens improvisaties, het heiligst en het schoonst, dat hij schonk, niet voor de eeuwigheid bewaard?

Er is heel wat toe nodig, om het met gevoel voor juiste samenhang en varia­tie in voorname stijl te doen. Doch vooral: boeiend en origineel. Handigheid en routine spelen dikwijls een grote rol, evenals zucht naar virtuoze schittering. Factoren, die het geheel soms minder gunstig beïnvloeden en twijfel laten aan geïnspireerde waarachtigheid der muzikale invallen.

Hoe 't zij: in ieder geval mag men achting koesteren voor een man, die het aandurft zich op deze wijze te uiten. Zo iemand is de Amsterdamse orga­nist Cor Kee. Gisteravond improvi­seerde hij op enkele tien minuten tevoren be­kend gemaakte thema's en koralen, opgegeven door stadgenoten.

In een Praeludium met Fuga, twee ko­ralen, een Passacaglia, een Scherzo en een Symfonische Koraalfantasie, gaf hij stellig bewijzen van uitzonderlijke theo­retische kennis, gevoel voor kleureffect, muzikaliteit, voortreffelijke beheersing van diverse stijlen, o.a. Heger, en beheersing van het instrument.

Voor ons gevoel stond de Passacaglia op 'n interessant thema van Mens, door 't typische karakter en de uitwerking er­van, bovenaan. Het Scherzo, op een thema uit Die Jahreszeiten was niet vrij van goedkoop effect. Dat echter in 't algemeen de originaliteit niet aanwezig was, conventionaliteit en bindingen aan anderen evident, mag hem niet ten kwade worden geduld. Originaliteit is slechts de grootste componis­ten gegeven en zelfs dán nog wellicht een onmogelijkheid, als zij voor zware opgaven als deze geplaatst worden.

Een groot aantal muziek-geïnteresseerden heeft deze weinig voorkomende orgelsensatie meegemaakt en Cor Kee om zijn kwaliteiten kunnen prijzen.

H

Bron: Leidsch Dagblad 22 augustus 1946

Cor Kee improviseert taai volhardend

De organist Leo Mens mag het zich tot een eer rekenen, de mensen de gelegenheid te geven telkens weer een uur van religieus muziekschoon te genieten. Hij speelt dan of wel zelf of nodigt andere organisten hiertoe uit. Ditmaal gaf de organist Cor Kee een improvisatie concert. Al moge hem dit goed liggen, de opgaaf is zwaar, maar trok de aandacht van aanmerkelijk meer mensen dan de gewone orgelconcerten en 't was inderdaad ook interessant.

Koralen of thema's kon men vandaag bij de heer Mens inleveren en deze lichtte ook toe wat de organist uit de verschillende thema's gekozen had. Zo koos deze voor de opgave: Preludium en fuga, een thema van Max Reger, door Hans Franco Mendes ingeleverd. Hier was Cor Kee op z'n best, hield de Regerstijl knap en taai vol. Hij gaf een feestelijk preludium, ontvouwde een klare doorzichtige fuga, maar het eind vinden kostte hoofdbrekens en maakte een en ander wat gerekt.

Twee orgelkoralen, waarvan een koraal van Pieter Huygens ingediend door Henri Welbooren en psalm 51 door de heer B. Martijn ten grondslag lagen. Hiervan was vooral het eerste boeiend en muzikaal. In het tweede gebruikte hij de prachtige Vox Humana. Leo Mens had het thema geschreven voor de Passacaglia, toonstuk in driedelige maatvorm met obstinate bas, die hij door alle variaties heen volhield. Voor het Scherzo had hij het door Ds. Riemens gekozen „Nun beut die Flue" uit de Jahreszeiten. Deze keuze en ook de improvisatie vonden wij niet gelukkig, omdat de Haydn aria's zo in elk opzicht af zijn, zodat er niet bij behoeft of kan. Het type Scherzo was raak maar had met Haydn's ,,Nun beut" te weinig gemeen

Tot slot een symfonische Koraalfantasie op gezang 99 uit Valerius, waarin hij contrasten legde, het welk hij opvoerde tot een magistraal slot, maar als te gewrongen, niet genoeg frappeerde. Al valt het één meer te appreciëren dan het andere, men kan respect hebben voor het talent van deze organist, die fantasie heeft, kennis van zaken, wat betreft compositie, contrapunt en orgelspel en de zware opgave, die belangstellend beluisterd werd, zo taai volhardend heeft volbracht.

J Kortmann

Leidsche Courant, 22 augustus 1946

Orgelimprovisatie

Het improviseren wordt vrijwel alleen door organisten beoefend. Moesten vroeger ook andere instrumentalisten deze kunst meester zijn (cadansen!), thans is onder de musici de improviserende organist een eenzame figuur. Van de kerkorganist, die zich voor de opgave geplaatst ziet om de gemeentezang in de eredienst te doen voorafgaan door een passend voorspel, en die dit voorspel wil improviseren, worden geen geringe zaken verlangd.

Improviseren is niet zo maar een beetje „erop los spelen". Integendeel, improviseren is als het ware componeren, zonder tussenkomst van papier. Hierdoor wordt de improvisator voor een geweldige opgave gesteld. Hij zal in de eerste plaats over compositorische talenten hebben te beschikken en dit talent moet gepaard gaan met een volkomen beheersing van het métier. Harmonie, vormleer, contrapunt, dit alles moet met elan gehanteerd worden.

Kan de componist tijdens het schrijven van een werk het gegeven van zijn inspiratie overdenken, rustig verwerken, het geschrevene steeds weer ter hand nemen, van de improvisator wordt verlangd dat hij zijn muzikale gedachtegang kloek en zonder aarzelen in daden omzet. Daarbij komt nog dat meestal niet op een eigen thema wordt geïmproviseerd. De kerkorganist heeft zijn koraalthema, de concertorganist krijgt het gegeven meestal uit het publiek.

De improvisatiekunst, die in de dagen van de grote Sweelinck reeds beoefend werd, was een beetje in de verdrukking geraakt. De doorsnee kerkganger, stelt helaas niet, zulke hoge eisen, en altijd zijn er nog organisten geweest, die improviseren vertalen door ,,speel maar raak". De laatste jaren echter is er kentering gekomen. Organisten van reputatie als Cor Kee staan bekend als knappe improvisators. Tijdens het congres der Nederl. te Goes heeft deze organist zaterdag op het prachtige orgel een staaltje van zijn kunnen als organist gegeven.

De vrije stemmen van Schouwen-Duiveland 24-08-1946

Improvisatieconcert Cor Kee te Goes

„Een onweerstaanbaar zacht geweldenaar” noemde Henriëtte Roland Holst eens Herman Gorter als taalkunstenaar. Deze woorden kwamen ons in de gedachten, toen wij zaterdagmiddag Cor Kee op het orgel van de Grote Kerk te Goes hoorden improviseren.

Onweerstaanbaar is deze orgelkunstenaar. Onweerstaanbaar in de volkomen beheersing van zijn handwerk. Onweerstaanbaar in het élan en het enthousiasme dat bruist uit zijn wonderbaarlijk spel. En tegelijkertijd een geweldenaar. Een geweldenaar in het ordenen van een eigenwillige klankenwereld, die hij weet te beheersen, en waar hij zijn gezag doet gelden met het onmiskenbare talent van iemand, die de omstandigheden aan zichzelf weet dienstbaar te maken. Een zacht geweldenaar echter. Niet een protserig vertoon van klankmassa’s‚ doch een zacht toch ook onweerstaanbaar dwingen van verspreide elementen, tot een zo schoon geheel, dat hier het woord de toon niet vermag te volgen.

Vorm en ritme, harmonie en metrum, als het ware de dimensiën der muziek, worden door dit muzikaal intellect samengevoegd op het moment dat de klank zal worden gehoord.

Gestuwd door de lyrische vervoering waarin dit spel iets uitzonderlijks en krijgt het iets fascinerends. Geen tuchteloze vrijheid, maar een geordende samenklank, waarin de muzikale wetten gedwongen worden zich te voegen naar de wil van een groot persoonlijkheid.

Wij kunnen ons voorstellen dat de in de kerk aanwezige organisten met een zekere schroom naar hun orgel zijn teruggekeerd, beducht om zichzelf te horen en daardoor de ban te verbreken, waarin Cor Kee zijn hoorders heeft gebracht.

Combarien noemde componeren „denken in muziek”. Wij hebben dit denken nu van zeer nabij mogen meemaken, en het is een gebeurtenis geweest, die we niet spoedig zullen vergeten.

o d. K.

Bron: Zeeuws Dagblad 1947-07-29

De Klerk, Kee, Andriessen & Bijster

,,De muzikale improvisatie is de kunst der spontane schepping. De improvisator gaat uit van een thema, dat hij in een bepaalde vorm tot ontwikkeling brengt. De vormgeving is van het hoogste belang"

HAARLEM, 1945-08-29  Ik stel deze uit de programmatoelichting genomen zinnen als grondstellingen voor de beoordeling aan het hoofd van dit verslag. Vier organisten: Albert de Klerk, Cor Kee, Hendrik Andriessen en Jacob Bijster traden voor het orgel onzer Grote Kerk in het krijt. Mij refererende aan bovenstaande principes zou ik niet aarzelen om aan de beide Haarlemse kunstenaars De Klerk en Bijster de prijzen toe te kennen.


Vooral De Klerk voldeed: niet alleen hield hij zich aan het door Andriessen gegeven thema, maar hij bouwde een mooie fuga-expositie op, en liet in de, enigszins in Sweelinck-manier gehouden,  doorwerking het thema zowel in de middenstemmen als in de bas duidelijk uitkomen. Voor samengetrokken nabootsing leende het in klassieke stijl ontworpen thema zich niet. In het Preludium raakte hij  wat te vroeg in orgelpunten verstrikt, maar zijn Fuga was een respectabel bouwwerk.

Bijster had door de onmelodische, in vreemde intervallen en ritmen springende thema's van Cor Kee een heel wat lastiger en ondankbaarder taak voor de bouw ener Sonate. Toch maakte hij een verstaanbare hoofdvorm, waarin ik alleen bij de reëxpositie het tweede thema miste. Het Andante-thema harmoniseerde hij terstond zó gecompliceerd dat het nauwelijks te herkennen was, maar hij bracht verderop vele mooie klankverbindingen aan. En het bizarre fladderende finale-thema behandelde hij zeer virtuoos en talentvol, zodat het heus nog wat werd.

In de Pastorale van Cor Kee was het thema van Bijster van 't begin af aan niet meer te herkennen; ook het pastorale karakter maakte plaats voor een wandeling door de wildernis, die pas aan het slot weer in een weitje terecht kwam. Hendrik Andriessen's Variaties op een thema van De Klerk waren een 20 minuten durende afwisseling van klank-orgieën en ogenblikken van verademing. Wat die onontwarbare klankmassa's met het thema te maken hadden is mij niet duidelijk geworden. Zou het niet wenselijk zijn de spreuk „Eenvoud is het kenmerk van het ware" eens wat in acht te nemen?

KAREL DE JONG


Bron: Haarlems Dagblad 29-08-1945

Improvisatie door Cor Kee

Het orgel van de Hooglandse kerk omstreeks het geboortejaar van Cor Kee

De laatste orgelbespeling van de reeks door Piet Uiterlinden ,,Avondmuziek” genoemd, werd ditmaal niet door deze gegeven maar door Cor Kee, organist van de Lutherse Kerk te Amsterdam, die een improvisatie gaf naar werken, veel verschillend van aard en karakter.

Boeiend was deze avond zeker, omdat een gedegen kunstenaar zijn beste gaven ten toon spreidde. Voor een bevredigend aantal toehoorders improviseerde hij naar een door Uiterlinden opgegeven thema, een Praeludium en fuga, waarna twee Koralen naar Psalm 108 en ,,Ik wil mij gaan vertroosten. Aan alles ervaart men, dat Cor Kee zijn persoonlijke gedachten hoewel modern opgevat in stijl van het opgegeven werk neerlegt, dat hij een zekere compositie-routine en muzikaliteit rijk is. Respect dwingt af de aanvoeling van de beide koralen, en zijn vrije improvisatie over ,,Het leven is een kruisbanier.” Men moet zijn fantasie waarderen , zijn registratie, de macht over zijn instrument en het volhouden van contrapuntiek of wel de opvallende contrastwerking en het spontaan zich uitvieren, tot fleurige orgelmuziek. Besluiten wij met een woord van erkentelijkheid aan Piet Uiterlinden, voor zijn mooie serie orgelconcerten in de Hooglandse Kerk, die hij persoonlijk zo talentvol verzorgde, maar ook voor deze laatste avond, waarop Cor Kee op over ’t geheel genomen op zo geslaagd de wijze zijn gehoor deelgenoot maakte in zijn stijlvolle gevoelens en kernachtige ritmen.

A. I.

Leidse Courant | 30 augustus 1949

Improvisatieconcert door Cor Kee

Een van onze pianisten zei mij eens: ,,Het ongeluk is, dat je een half uur voor een concert niet weet of je geïnspireerd zult zijn.” In nog veel hogere mate dan de vertolker van bestaande composities is de improvisator afhankelijk van de ingeving van het ogenblik.

Een improvisatieconcert is daarom altijd een moeilijke onderneming. Cor Kee is de moeilijkheden echter met zelfvertrouwen en grote innerlijke zekerheid tegemoet getreden. Gisteravond in de Hooglandse kerk is duidelijk gebleken, dat hij als improvisator jaren van intense studie en strenge discipline achter de rug heeft. Maar toch is zijn spel nooit academisch. Kee speelt met jeugdig enthousiasme en met een energie, die geen moment verflauwt.

Hij begon met een praeludium en fuga op een thema man Uiterlinden. Daarop volgden twee koraalbewerkingen, variaties over Psalm 77 en een vrije fantasie. Persoonlijk heb ik de concertgever het meest bewonderd in de variaties op Psalm 77. Zeer interessant was de variatie, waarin elke koraalregel werd voorgeïmiteerd en die in de vorm van een kleine pasacaglia. Maar ook in de andere werken hebben wij weer eens kunnen constateren, dat Kee tot onze allerbeste improvisatoren op het orgel behoort.

Hennie Schouten.

Nieuwe Leidsche Courant | 30 augustus 1949


Zing!

Typhonist wil in dit kalenderblok graag de bekende Zaanse musicus Cor Kee eens aan het woord laten. Deze uitnemende organist heeft Typhonist een enthousiaste brief geschreven over het Zaans Bachkoor en Typhonist vindt dit schrijven belangwekkend genoeg om het zijn lezers voor te leggen. Nu is dus Cor Kee aan het woord:

„Een koor dat zich speciaal bezig houdt met de muziek van Bach, is iets aparts . Men stelt zich hiermee een moeilijke opgave. Want wat is daar met voor nodig ? Grote liefde voor deze muziek , veel moed en niet te vergeten, doorzettingsvermogen. Zal zo'n koor zijn leden houden? Zal de dirigent op de duur niet toegeven aan de smaak van ‘men’ en ziekelijk gaan verromantiseren, zo dat Bach geen Bach meer is? Het Zaans Bachkoor heeft met zijn uitvoering van 18 december 1948 in de Kogerkerk, waar een deel van het Weihnachtsoratorium werd gemaakt, bewezen een écht Bachkoor te zijn. Hulde! Waarom ik dit nu zeg? Omdat ik graag zou zien dat dit koor de taak die het zich heeft gesteld kan blijven vervullen en liefst nog mooier. Wij kunnen dit element in ons Zaanse muziekleven niet missen. Daarom, dames en heren, als ge graag mooie muziek zingt, zing!"

Bron: De Typhoon 1948-12-28

Schrijf een commentaar: (Klik hier)

123website.nl
Tekens over: 160
OK Verzenden.
Bekijk alle commentaren

Nieuwe commentaren

05.09 | 20:54

Mooie en informatieve tekst

...
03.01 | 14:15

Mooi om (toevallig eigenlijk) hier te komen 20 jaar na het overlijden van Cor Kee.

...
18.02 | 14:09

Zet deze video erbij:
https://www.youtube.com/watch?v=oTsDgY6CqEM.
Kee's muziek klinkt aanzienlijk beter op een fraaie Witte
dan op een electronicum.

...
22.01 | 00:56

Wat een tijd. de vijftige jaren. Wat heeft mijn Opa daar vaak over vertelt, dat hij naar de samenkomsten ging van Hermann Zeiss. Wat een beleving.......

...
Je vindt deze pagina leuk