Martini-orgel Groningen terug naar 1740

Door: Paul Bollen - De restauratie van het Martiniorgel in Groningen is bijna klaar. Op vrijdag 14 september 1984 zal het monumentale instrument van 53 registers officieel weer in gebruik genomen worden, nadat het dertien jaar gezwegen heeft. Naar ‘bestek’ moet het dan weer klinken als in zijn gloriedagen, omstreeks 1740. Het veel geroemde oude pijpwerk uit de tijd dat Rudolf Agricola zich met het orgel bemoeid heeft (1479-1481), maar ook enkele Prestanten van nog oudere datum zijn met alle beschikbare kennis van het oude ambacht gerestaureerd. Uiteraard geldt dat evenzo voor alle fraaie, barokke stemmen van de zeventiende-eeuwse meester-orgelmaker Arp  Schnitger en zijn zoon Franz Caspar, die het instrument zijn monumentale klank hadden gegeven. ”In oude luister hersteld” pleegt men bij de plechtige overdracht van pas gerestaureerde orgels te zeggen. Maar de mensen die de ontwikkelingen in de orgelbouw de laatste tientallen jaren een beetje gevolgd hebben zullen zich wellicht wat voorzichtiger uitlaten, ook al zijn de inzichten intussen aanzienlijk verdiept. 

Polemiek
Er is al heel wat gekrakeel geweest over restauraties die de pretentie hadden een orgel zijn 'oorspronkelijk klankkarakter' terug te geven. Juist het Martini-orgel, dat het oudste pijpwerk van Nederland bevat, is het middelpunt geweest van een heftige polemiek naar aanleiding van een grote, ingrijpende renovatie in 1938-'39. Ook toen heeft men, net als bij de huidige restauratie, het ideaal gehad het orgel weer te laten klinken als omstreeks 1740, de tijd dat het op z'n mooist geweest moet zijn. Het is kennelijk anders gelopen. De bezwaren in de polemiek, die zich in 1943 voor een deel ook in het Nieuwsblad van het Noorden afspeelde, richtten zich juist tégen de moderne ideeën waarmee geëxperimenteerd was op onze mooie oude orgels'.

De jongste restauratie, die nu dus bijna voltooid is, heeft alle moderne van 1938-'39 ongedaan gemaakt. Dat betekende dus min of meer een confrontatie tussen twee van 's lands weinige orgeldeskundigen: mr. A. Bouman (73), die de technisch-artistieke man was achter de renovatie van toen, en C.H. Edskes (58), die is voor de nieuwe restauratie.

De éérste had, begrijpelijk, aanvankelijk wél moeite met de 'verwijten' die hem gemaakt werden. Ook hij had immers, net als Cor Edskes, met zijn oorspronkelijke restauratieplan gemikt op de glorietijd van het orgel in de achttiende eeuw. Maar later, in een geanimeerd gesprek in zijn huis in Eelde (destijds woonde hij in Rotterdam), gaf Arie Bouman toe dat hij destijds te maken had met de beperkte inzichten van zijn tijd. Hij was secretaris en de aangewezen deskundige van de toenmalige Nederlandse Klokken- en Orgelraad, die de restauratieplannen opgesteld had. In die raad zaten autoriteiten als de vermaarde professor G. van der Leeuw (direct na de oorlog minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen)", dr. Anthon van der Horst, Cor Kee en dr. Johan Wagenaar. Bouman: "Wij waren toen ongetwijfeld een Frans georiënteerd gezelschap. We hadden in 1934 een orgelreis naar Parijs gemaakt, waar we onder de indruk waren gekomen, vooral van het werk van beroemde orgelbouwers als Cavaillé Coll en Gonzalez. Vandaar bijvoorbeeld die 32-voets Bombarde die wij op het Martini-orgel lieten bijbouwen." (Dat register staat nu in de Gereformeerde Kerk in Bedum) Ook de toenmalige organist van de Martini, Cor Batenburg, had bepaalde Franse ideeën," vertelt Bouman.

"Batenburg, een briljante en geestige man, sprak van een orgel met grandeur. Ik wil een universeel orgel, zei hij. Ik wil er literatuur van alle tijden op kunnen spelen. En bij de ingebruikneming in december '39 speelde hij een sarabande van Debussy; ook Bach en Pachelbel natuurlijk en Mendelssohn, maar voor de rest Franck, Boëlmann en Pierné. Frans-romantischer kon het niet. Toch waren we ervan uitgegaan, dat geen enkel oud register tot 1854 mocht vervallen. We hebben natuurlijk allemaal het idee gehad dat je het oude en het eigentijdse kon combineren. Een compromis-orgel zouden ze tegenwoordig zeggen. Cor Edskes: "Het hoofdmotief om alles overhoop te halen in de jaren dertig was, dat door de restauratie van de toren daar geen plaats meer was voor de windvoorziening, voor de balgen en de ventilator dus. Toen moest er ruimte gemaakt worden in het orgel zelf en daarom hebben ze het hele mechaniek, dat historische waarde had, eruit gegooid en vervangen door een elektrisch systeem. Maar dat alles blijkt duidelijk onzin te zijn geweest. Want die windvoorziening staat nu ook in het orgel, terwijl we er toch weer een heel nieuw mechaniek in hebben gebouwd."

"Maar het zou allemaal nog tot daaraan toe geweest zijn als ze maar van het oude pijpwerk afgebleven waren. Het meeste daarvan was tot 1938 redelijk goed bewaard, terwijl er voorheen door verschillende prutsers toch al flink in het orgel gerommeld was. Bij heel veel pijpen hebben ze in '39 er stukken opgelast om de toonhoogte op normaal te brengen, dat is dus op a= 435 Hertz (trillingen per seconde); vroeger was het ongeveer 465 Hertz, iets meer dan een halve toon boven normaal. Organisten van de jaren dertig hadden blijkbaar geen zin om te transponeren wanneer ze iemand op het orgel moesten begeleiden."

'Flipperkast'
"Ze hebben het orgel echt schandalig behandeld", meent Edskes. "Ze hebben de pijpmonden (de opsnede) verlaagd, ze hebben, veel kernsteken aangebracht (groefjes gestoken in de voorzijde van het ronde, liggende plaatje tussen het bovenstuk van de pijp en de spits toelopende pijpvoet). Kernsteken waren toen erg in zwang, de toon werd er zachter, lees: stomper van, je haalt veel boventonen weg. Bovendien waren de pijpvoeten nauwer gemaakt én de winddruk onder de pijpkernen was met meer dan de helft teruggebracht. Ze vonden het hele orgel toen gewoon te hard."

"Ach ja", zegt Bouman, "het is allemaal uit de hand gelopen, vooral ook door de autonomie die orgelmakers toen hadden. Bovendien had bijna geen enkele orgelmaker in Nederland een eigen pijpenmakerij. Je had feitelijk alleen Stinkens in Zeist en Verschueren in Heythuysen (bij Roermond). De orgelmaker De Koff, ook uit Utrecht, die het werk had aangenomen, heeft het pijpwerk uitbesteed aan Verschueren". (Edskes zegt: aan Stinkens. Hoe het ook zij, Verschueren leverde ook de elektrische installatie en de nieuwe speeltafel, die op de noordelijke galerij stond en met een lange stroomkabel met het orgel verbonden was. Edskes noemt het een flipperkast ."Dat die opsneden verlaagd zijn is inderdaad betreurenswaardig”, vindt Bouman nu. "Toen de pijpen er eenmaal in stonden ben ik zes a zeven keren uit Rotterdam naar Groningen gereisd om bij het intoneren te zijn. Maar ik geef toe, de ideeën zijn nu wel wat veranderd. Een orgel van dit type moet niet alleen iets hemels maar ook iets demonisch hebben. Zo’n 16 voets Bazuin van Schnitger moet ook iets ontzagwekkends hebben." Het Franse element in de renovatie van voor de oorlog zat 'm voor een belangrijk deel in de tongpijpen (in gewone labiaal-pijpen, labium=lip, wordt de toon gevormd door splitsing van de luchtstroom; in tongpijpen daarentegen brengt de wind een metalen tong in trilling waarvan de toon versterkt wordt doorgegeven door een schalbeker). In het bestek van Bouman stond letterlijk: "De tongwerken krijgen een snijdend Frans toonkarakter, doch worden nergens brutaal."

Voorpagina-nieuws
Die tongwerken van 1939 vormen een apart verhaal. Zeven van de twaalf tongwerken had men toen nieuw gemaakt. Zij vooral waren het mikpunt van scherpe kritiek door de Leidse organist Hennie Schouten in september 1943 in het muziektijdschrift van de Kultuurkamer, een artikel dat op 11 september werd overgenomen op de voorpagina van het Nieuwsblad van het Noorden onder de kop "Mislukte restauratie van orgels". Schouten had op het vernieuwde orgel gespeeld en was nogal teleurgesteld. Hij wist daarna te vertellen dat zelfs de toen bekende Duitse pijpenfabrikant Giesecke, specialist in tongwerken, met de door Bouman opgegeven, antieke maten in de maag gezeten had. Voor Bouman lag het antwoord natuurlijk simpel in het feit, dat hij een vermaarde specialist als Giesecke wist te overtuigen die tongpijpen uiteindelijk toch te maken. Wanneer je Cor Edskes nu hoort, bevond Hennie Schouten zich destijds in dubieus gezelschap bij zijn kritiek op Bouman. "Het waren gewoon Duitse fabriekstoeters, niks meer. En het is treurig genoeg dat de orgelbouwers in Nederland zelf nooit behoorlijke tongwerken konden maken, want ze kunnen, het ook nu nog niet goed. We hebben ze in het Martini-orgel alle zeven moeten vervangen door nieuw gemaakte reconstructies van de oorspronkelijke tongwerken, te weten: Basson 16', Schalmei B', Viola da Gamba B', Trompet 16', Vox Humana B', Dulciaan 16' en Cornet 2. Die Viola da Gamba als tongwerk is overigens een oude zeldzaamheid. De beker heeft de grillige vorm van drie conussen die om en om op elkaar gelast zijn (zeg maar een zandloper met nog weer een trechter eronder,— P.Bn.). Later maakte men gamba's in labiaalpijp-uitvoering, van die hele enge pijpen, de 'limonade-rietjes' van het orgel."

Die aanval op Bouman had overigens verdacht veel weg van het spelen op de man in plaats van op de bal. De man moest zich verdedigen dat hij als organist weliswaar 'dilettant' was, maar dat hij als orgeldeskundige 'van Rijkswege erkend' en door de orgelbouwers regelmatig, ingeschakeld werd. Zijn verweer stond in een open brief, ook weer op de voorpagina van het Nieuwsblad van het Noorden. Daarin constateerde hij dat juist 'onze vooraanstaande organisten' weinig verstand hadden van disposities (registersamenstelling) en mensuren (onderlinge verhouding der pijpmaten).

Cor Edskes bevestigt dat Bouman in de loop der jaren een zeker gezag verworven had. Er waren in Nederland bijvoorbeeld weinig mensen die zich zó verdiept hadden in de geschiedenis van het orgel als hij. Diverse uitgaven van zijn hand getuigen daarvan, zoals Orgels in Nederland, Nederland Orgelland en Orgelbouw kunde. Het laatste boek is een technisch standaardwerk dat hij samen met A.P. Oosterhof schreef en dat nu zijn zesde druk tegemoet mag zien. Arie Bouman legde zich ook toe op het zelf berekenen van pijpmaten. Het bestek voor de renovatie van het Martini-orgel in 1938-39 was door hem opgemaakt, inclusief mensuren, materiaalvoorschriften en" beoogde klankkenmerken. Bij de verbouwing van het orgel in de Sint Jans Kathedraal in Den Bosch met niet minder dan 72 stemmen heeft hij in 1950-'5l eveneens de mensuren gemaakt. Maar ook die renovatie moet thans plaats maken voor veranderde denkbeelden.

Mr. Bouman zucht erbij: "Men praat altijd over mij alsof ik een mens ben die precies gelijk gebleven is. Ook mijn inzicht in de karakteristieken van die oude orgels was dertig, veertig jaar geleden gebrekkig. En men was algemeen nog niet zover dat men een verpest orgel in mechanische zin kon restaureren. Maar nu zeg ik zelf van het Martini-orgel: het had minstens twintig jaar later moeten gebeuren. "

Maar Cor Edskes wijst op de succesvolle restauratie in barokstijl van het Jakobi-orgel van Schnitger in Hamburg: dat was al in 1928! Hij herinnert er vervolgens aan dat dr. Gustav Fock, de Schnitger-kenner uit Hamburg, destijd de Kerkvoogdij in Groningen gewaarschuwd heeft tegen de plannen van de Orgelraad voordat zij werden uitgevoerd. Maar volgens Bouman heeft die waarschuwing de Orgelraad nooit bereikt.

 

Ommekeer
Het licht van het inzicht brak bij het Frans georiënteerde gezelschap al vrij kort na de oorlog door. Een belangrijke gangmaker daarbij was een jongeman die later dezelfde zou blijken te zijn als degene die hun vergissingen van '39 ongedaan maakte. Organist Cor Batenburg kwam, niet lang na de oorlog, in het westen enthousiast vertellen dat een jongen van 21, ene Cor Edskes, bezig was in het Rugpositief van het Martini-orgel enkele registers opnieuw te intoneren. Hij deed dat samen met de orgelmaker Doornbos die toen het orgel in onderhoud had. "Ik ben gaan luisteren", zegt Bouman nu, "en ik zei op z’n Gronings: 't kon minder. Ik was allang niet meer tevreden met dat glad-gepolijste. Zo'n orgel mag weliswaar niet scherp zijn, maar wel ruig, niet overgevoelig, maar wel gevoelvol. In die zin had Edskes toen de stemmen bijgewerkt." Cor Edskes, al vele jaren organist van de Doopsgezinde Kerk in Groningen, zou zich ontwikkelen tot een van de meest vooraanstaande deskundigen, vooral op het gebied van klassieke orgels. Hij was jarenlang officieel assistent van de Rijksorgeladviseur. Hij heeft onder meer enige jaren geleden de restauratie geleid van het grote orgel in de Nieuwe Kerk in Amsterdam (1655, Schonat en later Hagërbeer)..: . ..... .

Wat het Martini-orgel betreft zegt Edskes: "Ons uitgangspunt was dus de toestand van het orgel in 1740. Nagenoeg de complete dispositie van die tijd hebben we nagestreefd. Maar het stond ook vast dat we tot en niet het werk van Lohman zouden gaan, zeg maar tot 1817. Lohman was nog echt een man uit de school van Schnitger. Het beginpunt was ergens rond 1460: restanten van de gotische kast en een aantal Prestant-pijpen uit die tijd."

"Zeker is, dat in 1481 het gotische orgel herzien werd door Johan ten Damme uit Appingedam, met op z'n minst een grote bijdrage van de humanist-stadssecretaris Rudolf i Agricola, afkomstig uit Baflo. In 1542 is er een grote uitbreiding geweest tot een renaissance-instrument met Hoofdwerk, Bovenwerk, Rugpositief en Pedaal. Wie dat gedaan heeft weten we niet. Wel heeft tamelijk kort nadien, circa 1564, Andreas de Mare nog aan het orgel gewerkt. Zijn naam wordt ook genoemd in verband met een vroeger orgel in de A-kerk. Van hem hebben we op het Martini-orgel een heel mooie Holfluit 8 voet op het Bovenwerk. Het is het wijdste, historische orgelregister dat in Europa nog te vinden is."

Bastorens
"Het aandeel van Arp Schnitger is van 1691-92. Van hem zijn onder meer de twee grote bastorens met 32 voets Prestant. De grootste pijp is de F met zijn lengte van ongeveer acht meter en een diameter van 37 centimeter. In totaal hebben we 19 registers geheel nieuw na moeten maken, inclusief de genoemde zeven tongwerken. Een mooie oude speelfluit1 uit 1481 hebben we tot een compleet register kunnen reconstrueren aan de hand van het enig overgebleven pijpje dat ervan over was en dat zich in het Groninger Museum bevond." Het spreekt vanzelf dat die nieuwe oude pijpwerken niet uitbesteed werden. Orgelmaker Jürgen Ahrend van even over de grens (werkplaats in Loga bij Leer), die de restauratie uitvoert, maakt al bijna dertig jaar zijn eigen pijpen ("Logisch, daar komt de klank toch vandaan, anders kun je net zo goed meubelmaker, worden"). Door zijn toedoen konden nu eindelijk de kernplaten in de grootste 32 voets pijpen worden vastgesoldeerd. Schnitger kon dat in zijn tijd in de winter niet voor elkaar krijgen door de kou; hij heeft ze toen eenvoudig vastgezet met touw en lijm, 'gebreeuwd' noemt men dat in de scheepsbouw. Ze zaten kennelijk zeer goed vast want ze zijn bijna 300 jaar blijven zitten.


Jürgen Ahrend heeft in Nederland vooral naam gemaakt met zijn nieuwe orgel van 25 stemmen in de Zorgvlietkerk in Scheveningen en zijn restauratie van het Müller-orgel in de Waalse Kerk in Amsterdam. Over de hele wereld heeft hij opdrachten uitgevoerd, onlangs 'wipte' hij even over naar Melbourne om enige mankementen te verhelpen aan het vier klaviers-orgel van 45 stemmen dat hij daar in 1979 gebouwd had.

Voorzichtigheid
Tenslotte nog even Cor Edskes aan het woord naar aanleiding van de eerder genoemde 'voorzichtigheid' bij de restauratie van cultureel erfgoed: "Je moet nooit dingen doen die niet omkeerbaar zijn. Alles wat je doet is toch gedateerd. We hebben ook van onze eigen fouten geleerd. Vandaar dat we nu gezegd hebben: eerst maar eens een stuk uitproberen om te zien of de weg terug ook nog kan. Uiteindelijk hebben we de restauratie in twee fasen uitgevoerd. De eerste was in 1976-77: het Bovenwerk met 8 stemmen en het Rugpositief met 16 stemmen. Door financiële problemen heeft het tot 1979 geduurd tot de opdracht voor de rest kwam: Hoofdwerk 14 stemmen en Pedaal 15 stemmen. Totaal 53 registers. Hoe het straks zal klinken? Edskes heeft wat de klankopbouw betreft een mooi concreet beeld voor ogen: "Je moet maar denken aan een toren met rijk geornamenteerde spits. Die ornamenten zijn zeer belangrijk, Le Bon Dieu est dans le détail. Als die details niet goed liggen, niet echt meetellen, krijg je zoiets als een Martinitoren die vanaf de derde trans vertrokken is. Zo was de situatie ook na de brand van 1577. De houten spits is er later opgebouwd, in de renaissance-tijd; Maar niemand kan garanderen dat die aanvulling precies volgens de oorspronkelijke opzet is uitgevoerd. En toch is er een redelijke compositie van gemaakt, die iedereen nog altijd boeit. Die aanvulling bovenop moet dus een harmonische communicatie hebben met de onderbouw."

Al in de eerste wereldoorlog hebben de Duitsers de meeste frontpijpen uit hun kostelijke en kostbare kerkorgels gelicht om ze tot kanonnen om te smelten. ”konden ze een dag langer oorlog mee voeren”, schampert organist Cor Edskes. Maar ook het omgekeerde komt voor‚ althans in het geval van de onlangs overleden Amerikaanse orgelbouwer Charies Fisk. Die was in de oorlog betrokken bij het ontwerpen van de eerste atoombom, vertelt Edskes. Fisk is later zo geschrokken van de uitwerking dat hij zich tot de techniek van het orgelmaken bekeerde. Tja‚ lood hè. Daar is toch wel iets  bijzonders mee. Het is eigenlijk het geheim van de historische orgels. Waarom klinken de oudste pijpen meestal zo mooi? Omdat ze bijna voor honderd procent uit lood bestaan, zeggen de kenners. En daar komt dan natuurlijk de oxyderende werking van de eeuwen bij. Vandaar dat de restaurateurs van het Martini-orgel gretig de oude dakgoten van de Nieuwe Kerk en de A-kerk in Groningen hebben overgenomen, toen die vervangen werden. Met het historische metaal (96% lood, de rest tin en andere elementen) hebben ze nu op oude registers de ontbrekende pijpen kunnen aanvullen. 

Nieuwsblad van het Noorden 01-06-1984

 

Mislukte restauratie van orgels

Kritiek op mr. A. Bouman van Ned. Klokken- en Orgelraad

In „De Wereld der Muziek", septemberaflevering, oefent Hennie Schouten scherpe kritiek uit op mr. A. Bouman van de Ned. Klokken en Orgelraad, zulks naar aanleiding van de restauratie van het orgel in de Jacobskerk te 's-Gravenhage. Deze restauratie, die ongeveer f 18.000 kostte, acht Schouten een mislukking, hetgeen niet de schuld is van de restaurateur, de heer Van Leeuwen, doch z.i. van mr. A. Bouman, die in de Ned. Klokken- en Orgelraad de lakens uitdeelt. „Dat een jurist”, zo schrijft Schouten, ,,dat hij zich ook sterk voor orgelbouw interesseert en op dit gebied gaarne experimenteert, is op zich zelf verheugend. Het is alleen maar jammer, dat de heer Bouman in vele gevallen gelegenheid heeft gekregen zijn experimenten toe te passen op onze mooie oude orgels. Dit is te meer te betreuren, omdat het resultaat van zijn praktische bemoeiingen met onze orgels tot nu toe bedroevend is. Men moet weten, dat de heer Bouman over mensuren zeer aparte opvattingen heeft; opvattingen, die noch door onze vooraanstaande organisten, noch door onze prominente orgelbouwers gedeeld worden. Natuurlijk zal niemand hem het recht ontzeggen zich een eigen opvatting te vormen, maar wel moeten wij heftig protesteren, wanneer onze kerkorgels van deze opvattingen het slachtoffer worden".

Na er op gewezen te hebben, dat mr. Bouman voor het pijpwerk van de nieuwe vulstemmen van het Jacobsorgel veel te nauwe mensuren heeft voorgeschreven, vervolgt Schouten: „Wanneer de heer Bouman alleen voor de mislukte restauratie van het Haagse orgel verantwoordelijk was, zou dit al erg genoeg zijn. Maar helaas is er nog heel wat meer te signaleren!” 

1 Juli j.l. heb ik geconcerteerd op het orgel der Martinikerk te Groningen, dat eveneens onder toezicht van de Ned. Klokken- en Orgelraad werd gerestaureerd. Toen ik mijn bezwaren tegen de nieuwe stemmen met de organist der kerk, de heer Batenburg, besprak, hoorde ik, dat ook deze collega heftige woordenwisselingen met de heer Bouman had gehad. En niet alleen de organist der kerk protesteerde tegen de voorschriften van mr. Bouman, maar ook de orgelbouwer De Koff, aan wie de restauratie was opgedragen. Daar De Koff deze voorschriften geruime tijd kreeg nadat hij de opdracht had aanvaard, kon hij zich niet meer terugtrekken. Er bleef hem niets anders over dan de genoemde voorschriften door te sturen naar de bekenden Duitse pijpenfabrikant Giesecke, die gespecialiseerd is in het bouwen van tongwerken. De leiding der firma Giesecke schreef terug, dat zij er weinig voor voelde tongwerken volgens deze aanwijzingen te bouwen, omdat zij van tevoren wel wist wat het resultaat zou zijn.

Wanneer een gerenommeerd organist, een vooraanstaand Nederlands orgelbouwer en de directie van een beroemde Duitse pijpenfabriek protesteren tegen de voorschriften van een dilettant, mocht deze dilettant zich toch wel eens afvragen of zijn ideeën mogelijk correctie behoeven. Iemand als mr. Bouman wordt door dergelijke ervaringen echter alleen gesterkt in zijn overtuiging dat de organisten, de orgelbouwers en de pijpenfabrikanten nog heel wat van hem te leren hebben.

Ook in Groningen heeft de meergenoemde meester in de rechten zijn zin weten door te zetten; aan zijn bemoeiingen is het te wijten, dat het Martini-orgel verrukt is met lelijke tongwerken, die zeer slecht stemming houden en nietszeggende labiaalstemmen met een dunne, schriele toon, waarvoor zelfs de orgelbouwer, die de restauratie uitvoerde, geen goed woord over heeft".

Nieuwsblad van het Noorden 11-09-1943

De „mislukte” restauratie van orgels
Een wederwoord van mr. A. Bouman

Naar aanleiding van het artikel van Herinie Schouten in „De Wereld der Muziek" over de restauratie van orgels te 's-Gravenhage en Groningen heeft de secretaris van de Ned. Klokken- en Orgelraad, mr. A. Bouman, een open brief gezonden aan de schrijver.

Mr. Bouman merkt allereerst op, dat Schouten's onderzoek zich moet hebben beperkt tot een beluisteren aan de speeltafel, die grotendeels onder de kast staat, waar het onmogelijk is het geluid te beoordelen. Blijkens zijn verdere opmerkingen heeft S. niet kritisch het inwendige, met name het pijpwerk nagegaan en evenmin bestek of technische gegevens geraadpleegd. Temeer waar zulks indertijd werd aangeboden, doch hooghartig afgeslagen, kon daardoor uw onderzoek, aldus mr. Bouman, slechts een zeer betrekkelijke oppervlakkige, en geen wetenschappelijk-artistieke waarde bezitten.

„Dat in de Ned. Klokken- en Orgelraad „uitstekende organisten vertegenwoordigd zijn", zegt niets (de meeste leden zijn het zelfs niet), want in de N.K.O. mag niet allereerst het criterium zijn of men goed orgel speelt maar of men deskundig is op het gebied van orgelbouw. Als organist ben ik inderdaad „dilettant” , zo vervolgt mr. B. ,,en dat is mij een vreugde; op orgelbouwterrein meen ik mij, op grond van diepgaande studiën en meer dan tien jaren praktijk als vakman te mogen beschouwen; als orgelbouwkundige ben ik als zodanig van Rijkswege in Nederland erkend. Ook het feit, dat de grootste orgelbouwers uit Nederland en zelfs daarbuiten mij regelmatig, en speciaal in dispositie- mensuren- en intonatieaangelegenheden, om raad vragen, spreekt duidelijke taal."

Na er op te hebben gewezen, dat de combinatie jurist-orgelbouwkundige meer voorkwam, ontkent mr. Bouman het, dat hij „experimenten" toepast op onze mooie orgels. Pas na opname van de mensuren van het bestaande pijpwerk wordt, in harmonie daarmee, dispositie, mensurering en intonatie van het nieuwe pijpwerk bepaald, met artistieke conceptie, maar ook met het verstand.

Dat schrijver’s mensuuropvattingen door „onze vooraanstaande organisten" niet worden gedeeld, zegt niets, omdat deze amper een zelfstandig oordeel over disposities hebben, laat staan over mensuren. Dat ze door ,,onze prominente orgelbouwers" niet zouden worden gedeeld, moet mr. Bouman ontkennen. Na de kritiek tegen het Haagsche orgel te hebben weersproken, vervolgt mr. Bouman: „De heftige woordenwisselingen met de heer Batenburg kan ik mij niet herinneren, wel overleg in vergaderingen met de Kerkvoogdij der Ned. Herv. Gemeente te Groningen, die in wederzijdse overeenstemming eindigden. Wel herinner ik mij dat de firma's de Koff en Giesecke, die bang zijn over ijs van één nacht te gaan, niet terstond vertrouwen hadden in de N.K.0.-mensuren; waar zij echter met het produceren van enig concreet bezwaar in gebreke bleven, en ook deze mensuren na grondige voorstudie en in aansluiting op het bestaande werk (uit mijn boekje over het Groningse orgel kan een deskundige dit op de bladzijden 88-94 zelf controleren) waren vastgesteld, kon er voor mij geen aanleiding tot correctie zijn, doch alleen maar een in vertrouwen doorzetten, ook van dit onderdeel van het culturele pogen, dat de restauratie van het Groningsche orgel tenslotte was. Elke karakterloze „confectie" (ook van orgelpijpen) kan alleen maar door verantwoord „handwerk" worden opzij geschoven.

. Over de kwalificatie „lelijk" van de Groningse tongwerken heeft gedachtewisseling weinig zin. Als zij „zeer slecht stemming houden", komt dit mogelijk door de verkeerde buiging, die de intoneur in de tongen heeft gelegd, (door een deskundige is zulks bij een keuring niet te constateren), maar zeker allereerst door het feit, dat alle nieuwe tongwerken (op de Trompet 8' en 4', Rugwerk na) hun korte bekervorm hebben: Ranket, Vox Humana. Fagot, Kromhoorn, Bomberde, Cinck. Hun mensuren zijn geheel in de Barok-trant gehouden en toegespitst op individuele karakterverscheidenheid.

De nieuwe labiaalstemmen zijn alle vulstemmen: Sesquialtera, Tertscymbel, Scherp, Ruischpijp en kunnen dus niet anders dan ijl en strijkend klinken. Men kan nu eenmaal van kleuters onder de pijpen geen basstemmen verlangen.

Als een orgelbouwer, die zulk een omvangrijke en verantwoordelijke restauratie uitvoert, voor deze registers „géén goed woord over heeft", wat zonder meer niet is aan te nemen, dan verlaagt hij zich daardoor tot een slaafs uitvoerder van wat hem bevolen wordt. Met de firma de Koff heb ik echter tot nog toe andere ervaringen opgedaan."

Cor Batenburg over het Martini-orgel

De organist Cor Batenburg schrijft ons nog het volgende: Zonder twijfel zullen velen met verbazing hebben kennis genomen van de critiek van de organist Hennie Schouten op het werk van mr. Bouman en dan wel in 't bijzonder van dat gedeelte, waarin hij ons oude Martini-orgel onder de loep neemt. Toen mijn Leidse collega deze zomer hier kwam concerteren, had ik van hem, nadat hij enige uren had gespeeld, kritiek op het orgel aan te horen, die niet onverdeeld gunstig was te noemen. Op verschillende punten heb ik getracht hem tot een ander inzicht te brengen, naar ik meende niet zonder succes. Over de kwaliteit van enkele registers waren wij het wèl eens. Op de concertavond was Schouten's weergave van oude werken zo fraai en het orgel „deed" het zo voortreffelijk, dat ik direct na het concert naar de speeltafel ben gestapt en hem het volgende heb gezegd: „Collega, het klonk allemaal zo prachtig, dat ik mij gedrongen voel mijn eigen minder gunstige opmerkingen van vanmiddag gedeeltelijk terug te nemen."

De heer Schouten toonde zich ook zeer tevreden en zei met veel genoegen te hebben gespeeld. En nu zijn felle kritiek! Het spreekt vanzelf, dat deze niet de kern raakt van het oude orgel, doch slechts de vier nieuwe vulstemmen en de vijf nieuwe tongregisters. De vier vulstemmen vind ik zonder uitzondering mooi, in volkomen harmonie met de grondstemmen. Van de tongwerken vind ik de Kromhoorn, Fagot, Schalmei en Cinck zeer geslaagd, de Trompet goed, de Ranket tamelijk en de Bombarde in het groot-octaaf uitgesproken lelijk.

Boven alles stel ik dit vast: Met die twee minder mooie stemmen blijft het over 53 registers beschikkende Martini-orgel voor mij een pracht-instrument. De wijze, waarop de heer Schouten mr. Bouman te lijf gaat, is m.i. onbehoorlijk. Ik zal mij niet mengen in deze strijd, doch mij bepalen, tot een enkele opmerking: met de heer Bouman had ik meer dan eens meningsverschil, we waren echter nimmer heftig. Het verschil van inzicht is er op enkele punten nog en het zal er ook wel blijven. Mr. Bouman heeft hier zeker geen volmaakt werk geleverd; deze omstandigheid is voor mij echter geen beletsel in hem een zeer knap orgelbouwkundige te zien.

1943 DvhN

Hoe moet het nu met het Oude-Kerkorgel?

Organist Han Hoogewoud (1906-1994)

Door LISETTE LEWIN - AMSTERDAM, 24 augustus 1974. — „Een oud mechanisch orgel is het ideaal van de organist. Mijn levensideaal was organist van een oude kerk te worden. Die wens had ik al als jongen van 17 jaar. Het is me geschonken. Daar ben ik dankbaar voor." Terwijl de Oude Kerk in de steigers staat en het grote orgel door plastic is omhuld, kruipt Han Hoogewoud, de vaste bespeler, van tijd tot tijd vrijwillig onder de verpakking, teneinde met zijn spel het instrument door te blazen.

Een bezigheid die, te midden van het restauratiewerk in de kerk niet zonder gevaar is, maar rust roest. De laatste weken gaat het spelen niet meer, omdat het grote orgel nu door houtwerk is omsloten. In het feestjaar moet het bespeelbaar zijn, want wethouder Lammers van kunstzaken wil dat dan de vaste bespeler alsmede Feike Asma er feestelijk op zullen concerteren. Hoogewoud kan lovende recensies tonen van de concerten die hij regelmatig geeft. Hij geeft lessen op het eveneens prachtige kleinere orgel van de kerk, waarop in de 17e eeuw Jan P. Sweelinck, de stadsorganist, van zes tot zeven 's avonds voor de burgerij concerteerde. Hoogewoud die, overtuigd christen, veel kerkmuziek componeerde, bespeelt ook het kleine orgel wondermooi. Zijn eerste leraar was Cor Kee, die hij nog steeds als zijn leermeester in het improviseren erkent. Aan het conservatorium kreeg hij les van C. de Wolf en Anton van der Horst. Sinds '39 is Hoogewoud organist van de aula van de Oosterbegraafplaats en op 13 april 1941 werd hij benoemd tot vaste bespeler van het grote orgel van de Oude Kerk, een nominatie die hem niet veel rijker maakte; maar die de verwerkelijking betekende van zijn levensdroom. „Het is een prachtig orgel", zegt hij verliefd, „maar het heeft een taaie, zware, onregelmatige aanslag. Wij nemen dat op de koop toe. Blijft dat het een heerlijk orgel is."

Doodmoe
Feike Asma, wiens spel voor-, maar ook felle tegenstanders kent, is een van de weinigen die het oude-kerkorgel niet te zwaar schijnt te vinden. Maar dat is ook een man met een ijzeren constructie. Befaamde organisten uit het buitenland die het grote orgel bespeelden, kwamen doodmoe beneden. Ook Hoogewoud is moe na afloop van een concert. "Restauratie van de mechaniek zou bevorderlijk zijn voor precisie in het spel", zegt hij. En over die restauratie is de vaderlandse orgelwereld, toch al explosief, al enige maanden in oorlog. Maar eerst de vraag: wat is nu het heerlijke aan een mechanisch orgel? „Bij een mechanisch orgel", expliceert de organist, „wordt de lange weg tussen toets en speelventiel door je eigen vingers overgebracht. Bij de aanslag is het belangrijk dat je het zelf doet. Bij een elektrisch orgel doet de stroom dat en dat heeft invloed op de toon. Bij het contact met de toets wordt door een stroomstoot het speelventiel geopend. Dat gaat veel te snel. Een elektrisch orgel wordt praktisch niet meer gebouwd. In Amerika zijn er heel veel en ook in Engeland. Ze komen nu naar Nederland om onze orgels te bekijken. Hier vindt men in katholieke kerken nog veel elektrische orgels. Het zogenaamde voordeel en nadeel ervan is dat de speeltafel verplaatsbaar is. Die kun je overal neerzetten.

Stof en gruis
Dan heb je nog het pneumatische orgel. Dat is eigenlijk nog slechter dan een elektrisch. De wind in de windleidingen heeft te veel tijd nodig. Elektriciteit gaat te snel. Pneumatiek is lui. Het orgel in de Bachzaal waar ik in mijn conservatoriumtijd op heb gestudeerd is pneumatisch. Het mooie orgel in de Noorderkerk ook. Dat is jammer. Het mechanische systeem, de zogenaamde sleeplade dateert uit, de 16e eeuw. Men komt er steeds op terug. Er is een vervaltijd geweest in de orgelbouw.

Om het grote orgel in de Oude Kerk bespeelbaar te maken moet een orgelbouwer het pijp voor pijp doorblazen om het na twintig jaar kerkrestauratie in trompetten, bazuinen en dulcianen opgehoopte stof en gruis te verwijderen. Maar als de klanken volgend jaar het publiek eenmaal bereiken, dan nemen de problemen eerst goed een aanvang. Het grote mechanische orgel in de Oude Kerk is gebouwd van 1724 tot 1726 door Christiaan Vater uit Hannover. In zijn huidige staat dateert het van 1738—'42 toen Johan Caspar Müller, broer van Christiaan Müller, de bouwer van het St.-Bavo-orgel in Haarlem, er de laatste hand aan legde. De geschiedenis van .de Oude Kerk, een van de grootste in Europa, midden in een Amsterdamse buurt waar de zeden sinds de middeleeuwen wat lichter zijn dan elders, gaat terug naar 1306 toen zij werd ingewijd als kleine kruiskerk.

Toren en klokkenspel zijn van de 16e eeuw. Het kleine orgel is van 1690. Over het grote orgel, dat een gedeeltelijk marmeren voetstuk heeft, woedt de strijd. Fel tegenover elkaar staan Han Lammers, solidair met zijn orgelcommissie en Gustav Leonhardt, wereldberoemd clavecinist en organist, vooral in de kleine Waalse Kerk. Leonhardt is adviseur van de Stichting De Oude Kerk, die geld bijeen zamelt voor de restauratie, een stichting waarin notabelen zitten als mr. U. W. H. Stheeman, gepensioneerd president van de Amsterdamse rechtbank. Als adviseur diende Leonhardt een plan in om het orgel naar Zwitserland over te brengen voor restauratie naar de orgelbouwer Metzier aldaar. „Ik kan niet zeggen dat ik daar zonder meer achter sta", zegt de heer Hoogewoud, die wijst op de gevaren van het vervoer. En dan: het orgel van de Nieuwe Kerk ligt al jaren uit elkaar bij Marcussen in Denemarken. Hoogewoud is er eens gaan kijken. „Dat is ook zo'n mooi orgel als dat van de Oude Kerk", zegt hij, „maar daar praat niemand meer over. De gemeente Amsterdam heeft destijds zijn veto uitgesproken over overbrenging van het orgel naar het buitenland maar het schijnt dat Leonhardt zijn plan nog niet heeft laten varen. Lammers is er als de dood voor het orgel uit elkaar te nemen en te vervoeren. Hij vindt het Noord Zuid-Hollands koffiehuis een goede vergelijking, een monumentje dat uit elkaar gehaald is voor het metrowerk en dat nooit meer ongeschonden zal verrijzen. Hoogewoud denkt dat dat deel voor deel uit elkaar nemen van het orgel in de kerk de beste manier van restaureren is.

Puinhoop
In een open brief aan B en W die Leonhardt in deze krant publiceerde, legde hij uit dat „stijlpurisme", het terugbrengen van het instrument naar de vroegste toestand, door niemand wordt nagestreefd. Hoogewoud zegt ook: „In eerste instantie heb ik gedacht dat we terug moesten naar de tijd van Müller, maar dat blijkt niet haalbaar te zijn. Er zijn veranderingen aangebracht die geen verslechteringen zijn. In de 19de eeuw is een cornet gewijzigd, zo mooi, zo prachtig. Maar er zijn er die niets aan de restauratie willen doen; dan verknoei je ook niets. Maar daarmee zijn we er nog niet." Leonhardt, die in zijn brief schrijft dat hij wel blij is met Lammers' orgelnota van 2 oktober 1973, keert zich vooral tegen de orgelcommissie die de wethouder met advies terzijde staat, een commissie van mensen „wier namen in heel Nederland en daarbuiten de harten met angst vervullen." Leonhardt noemde de voorzitter van de gemeentelijke commissie, mr. A. Bouman, „een figuur die een spoor van verwoesting achter zich heeft gelaten." Men zegt: „Gun Bouman zijn hobby maar blijf van onze orgels af".

Want Bouman heeft waar hij ging er een puinhoop van gemaakt. Zo is het orgel van de Westerkerk onder zijn leiding elektrisch geworden. Han Hoogewoud zegt: „Hij heeft een goed boek geschreven maar ik kan me voorstellen als je naar al die prachtige orgels kijkt dat de angst de organisten om het hart slaat. Ik vind,,' zegt hij voorzichtig, „het heel begrijpelijk dat er mensen zijn, die zich afvragen, moet deze man het nu voor het zeggen hebben? Daar hoor ik ook bij." Han Lammers speelt voor een amateur buitengewoon goed orgel. Vooral sinds hij wethouder werd, is zijn spel met sprongen vooruitgegaan. Een deel van zijn vakantie besteedde hij deze zomer aan het bespelen van oude orgels in Noord-Holland en Friesland. Elke zondagmiddag begeeft hij zich, meestal in zijn dooie eentje, naar de Westerkerk, waar hij virtuoos aan de registers trekt, bezweet en geconcentreerd met zijn voeten over de pedalen gaat en er moeilijke fuga van Bach door het kerkruim te laten dreunen en zingen. Hij beheerst het instrument of het Publieke Werken is. „Een behoefte aan macht wordt een organist wel toegeschreven", zegt hij zelf. Maar dat is psychologische taal. Hoofdzaak is dat hij liefde voor het orgel voelt en daarom bevreemdt het velen dat hij zo star achter zijn commissie blijft staan. „Als Lammers als wethouder struikelt, zal dat eerder over de orgels dan over de metro zijn", zei iemand eens. Over één ding is Lammers vastbesloten. De vaste bespeler, Han Hoogewoud, moet bij de zaak betrokken zijn. Hoogewoud is een uitermate bescheiden mens. Dat vindt Lammers ook. De organist vindt zelfs dat een nieuwe commissie, een orgelcommissie Oude Kerk moet worden opgericht. In elk geval, vindt hij, moet Gustav Leonhardt daar lid van zijn. En Klaas Bolt die bij de strijd betrokken is via Monumentenzorg. „En als ik daar als vaste bespeler bij mag zijn dan zou ik dat juist vinden", zegt hij. Het orgel in de Oude Kerk heeft Han Hoogewoud al menige slapeloze nacht bezorgd, wat lastig is voor iemand die een letterlijk zevendaagse werkweek heeft. „Het is heel belangrijk", zegt hij, „dat gezorgd wordt voor wat het beste is voor het orgel. Het is een bezit voor het nageslacht. We hopen dat het er nog eeuwen staat."

Bron: NRC Handelsblad 1974-08-24

Schrijf een commentaar: (Klik hier)

123website.nl
Tekens over: 160
OK Verzenden.
Bekijk alle commentaren

Nieuwe commentaren

05.09 | 20:54

Mooie en informatieve tekst

...
03.01 | 14:15

Mooi om (toevallig eigenlijk) hier te komen 20 jaar na het overlijden van Cor Kee.

...
18.02 | 14:09

Zet deze video erbij:
https://www.youtube.com/watch?v=oTsDgY6CqEM.
Kee's muziek klinkt aanzienlijk beter op een fraaie Witte
dan op een electronicum.

...
22.01 | 00:56

Wat een tijd. de vijftige jaren. Wat heeft mijn Opa daar vaak over vertelt, dat hij naar de samenkomsten ging van Hermann Zeiss. Wat een beleving.......

...
Je vindt deze pagina leuk