Referaat van Cor Kee

Uit de roemrijke tijd van het Nederlandse Orgel

Referaat van Cor Kee, gehouden op het Tweede Orgelcongres van de Nederlandsche Organisten Vereeniging, 22 mei 1934 in het gebouw der Rijksuniversiteit te Utrecht.

,,Ter inleiding dit: Niet alles van mijn referaat kan ik middels documentatie verantwoorden. Ook heb ik enige dingen bij conjunct vastgesteld, zodat er zogenaamde hoogst-waarschijnlijkheden in voorkomen. Maar zoals u weet behoren ook deze tot de interpretatie van een zekere stelling.

Als ik u iets ga zeggen uit de roemrijke tijd van het Nederlandse orgel zal dit niet zijn uit de 20ste eeuw. Om de heel eenvoudige reden dat onze eeuw niet de roemrijke tijd van het Nederlandse orgel is. Commentaar is naar ik meen overbodig. Doch laten we voor het verdere van deze eeuw nog hoop behouden, want wat niet is kan nog komen én er is een kleine kentering ten goede te bespeuren.

Maar ook de 19e eeuw was het niet. Want al kunnen we bekwame mannen uit deze eeuw aanwijzen, we denken onder andere aan Witte, aan Maarschalkerweerd, wiens intonatie in zijn tijd kon wedijveren met die van de buitenlanders, aan de Gebroeders Adema, als makers van het prachtige orgel in de Mozes en Aäronkerk te Amsterdam. Toch is ook deze eeuw niet de roemrijke tijd van het Nederlandse orgel.

Evenmin, eigenlijk nog minder, de jaren tussen 1700 en 1800. Wel werden er toen prachtige orgels gebouwd, die het beluisteren voor zover nog aanwezig, overwaard zijn en is toen menig bedehuis verrijkt geworden met een drie-, ja zelfs een enkele maal een vierklaviers-instrument. Maar dit alles was in hoofdzaak import en staat op naam van Duitsers als de familie Schnitger, Strumpler, Willer en vele anderen.

En al was de orgelindustrie in de 17e eeuw wél in handen van Hollanders, er is menig knap werk uit de werkplaatsen van Hagerbeer en Germer Galtus gekomen. Toch zullen we verder terug moeten gaan om te kunnen spreken van onze grote orgeltijd, namelijk naar de 16e en vooral 15e en een gedeelte van de 14e eeuw. Want toen waren niet alleen Nederlandse componisten, vocaal en instrumentalisten beroemd en vervulden de belangrijkste plaatsen in Europa’s grote muziekcentra. Ook de instrumentmakers, met name de orgelbouwers waren wijd en zijd beroemd.
       
U hebt daar in het referaat van Flade in ons congresboek iets over kunnen lezen. Van heinde en verre deed men een beroep op de Nederlandse orgelbouwer om over te komen. Velen zijn dan ook werkzaam geweest aan het één of andere hof en genoten een hoog aanzien. Ook kwam men van over de grenzen, vooral Duitsland, naar Nederland om zich in „das gelobten Land des Orgelbau" te bekwamen. Het reizen vanuit Duitsland en de gewoonte zich in de Nederlanden in de orgelbouw te bekwamen en, wat nog al eens voorkwam dan na de opleidingstijd zelf voor eigen rekening dit vak hier uit te oefenen, verklaart de aanwezigheid van vele Duitsers in de Nederlanden omstreeks 1500. Denk onder meer aan Bent uit Emmerik, Hansje van Keulen, Johan Schlegel, Hans Süsse. Eén onzer oudste orgels, het kleine orgel in de Laurenskerk te Alkmaar, opgeleverd in 1511, is ook van een Duitser: Jan von Coblentz.

„Auf Niederlandischen art"
Deze tijd mag dan ook met recht betiteld worden als de roemrijke tijd van het Nederlandse orgel! De Nederlandse orgelmaker, kunstenaar en werkman, werkman en kunstenaar, stond vooraan op de weg der orgelontwikkeling en veel grote en kleine inventies, onmisbaar en sieraden van het orgel, staan op naam van hen en werden gretig door de buitenlanders die er mee in aanraking kwamen, overgenomen.

Het gold bijvoorbeeld in Duitsland als een aanbeveling als men kon zeggen dat iets, hetzij het betrof intonatie, windla of pijpwerk, „auf Niederlandischen art" gemaakt was. De Nederlandse orgelbouwers waren mannen, bekwaam in het uitdenken van nieuwe speel- en klankmogelijkheden.

Wat deze speel- en klankmogelijkheden aangaat, zou ik u willen wijzen op de uitvinding niet alleen, maar ook de goede toepassing van allerlei nieuwe stemmen. Waren eerst de verschillende stemmen als Prestant, Octaaf en Mixtuur van enge mensuur, de Nederlanders voegden daar de wijd gemensureerden aan toe, zowel grond- als vulstem.

Een nieuwigheid die grote perspectieven opende voor de orgelontwikkeling. Welk een grote rol hebben de wijd gemensureerde stemmen niet vervuld in de orgelwereld en gaan ze nu, na een periode van verval, weer vervullen. Van de grondstemmen noemen we de wijde fluit, van de vulstemmen de Nasard en Sexquialter. Beide laatsten twee echte orgeleigen stemmen. Wat een rijkdom van klankmogelijkheden gaven ze! Stemmen die in zogenaamd „gemengd spel" wonderen doen en geassocieerd niet andere prachtige karakterstemmen vormen. In de tijd dat deze stemmen ontstonden zal men vooral het laatste, het vormen van karakterstemmen op het oog gehad hebben.

Karakterstemmen
Karakterstemmen op het orgel waren geliefd, omdat men aan de ene kant nastreefde het orgel te verrijken met geïmiteerde orkestinstrumenten en aan de andere kant hiermee goed de verschillende contrapuncterende partijen tegen elkaar kon uitspelen.
Het is opmerkelijk, hoe goed de Sexquialter in verbinding met enige andere labialen het eigenaardig hoornachtige van het orkestinstrument de zink imiteert. Vandaar misschien dat men in Zuid-Nederland aan deze stem de naam Cornetto gaf? Cornetto is een andere benaming voor zink.

Doordat orgelmakers van buiten de grenzen naar hier kwamen en orgelmakers van hier naar elders ontboden werden, Nederlandse orgels gekocht en ten geschenke werden gegeven, door en aan buitenlandse vorsten, zijn deze wijd-gemensureerde stemmingen in het buitenland gekomen en gingen ook daar een grote rol spelen. In Duitsland, zowel grond- als vulstem, behalve de Sexquialter, die daar eerst later, vooral Noord Duitsland in de disposities werd opgenomen. Of dit door onbekendheid of, wat ik logischer acht, door een niet goed begrijpen van de functionele betekenis van deze stem kwam? We laten dit in het midden.

In Italië paste men alleen, ook bij het prestantenkoor, wijde mensuur toe. Denk aan de zo genaamde wijde Italiaanse Prestant! Ook Frankrijk komt onder de invloed, ja zelfs Spanje. En daar hoeft u niet vreemd van op te kijken, ook dit land stond toen ter tijd in nauwe relatie met de Nederlanden. Vlaamse orgelbouwers werken daar en nog in 1617 wordt de koning van Spanje een Nederlands orgel ten geschenke gegeven door de aartshertogen van Brussel, gemaakt door de beroemde orgelmaker Langedul.
Zoals ik zei, zelfs Spanje komt onder de invloed. Daar vinden we in oude disposities de naam Nasardos en Corneta terug. Of nu ook daar deze stemmen van wijde mensuur waren? Van de rechte betekenis en wat deze stemmen van origine zijn, schijnt men niet juist te hebben afgeweten, want we zien de Nasardos in het uit 1549 nog bestaand orgel te Toledo, meegedeeld door Merklin in zijn interessante artikelenreeks „aus Spaniens altem Orgelbau" in de 44e jaargang van het Zeitschrift fur Instrumenbau, aangegeven met 5 sterk en de Cornets met 7-13 sterk. Het zal meer mixtuurwerk zijn.

Of de Quintadeen uit Nederland afkomstig is? Het is wel opmerkelijk, hoe veelvuldig we dit register tegen komen in Nederlandse orgels, en dan in het bijzonder Noord-Nederlandse, even na 1500 en wel in verschillende voethoogten. Maar al mag deze stem hier niet „uitgevonden" zijn, zeer zeker is hij hier gecultiveerd.

Verder denk ik aan verschillende tongwerken, onder andere de Beer- of Baarpijp, de Nederlandsche Vox Humana. Volgens Klotz in zijn „Ueber die Orgelkunst der Gothik" zou ook het conische volbekerige tongwerk van hier zijn.

Bekwaam intoneurschap
Dit al bewijst, dat de Nederlandse orgelmaker de factor, die van zo grote betekenis is voor het orgel, namelijk de intonatie, wel zeer goed verstonden en daarin een groot meesterschap bezaten. Vooral ook door hun bekwaam intoneurschap zal het gekomen zijn, dat ze zo gezocht waren en dat men er prijs op stelde een Nederlands orgel te bezitten.

Aangezien nu de Nederlanders, zoals u uit het voorgaande kunt concluderen, zich op het gebied der mensurering bijzonder hebben geroerd, meen ik dat de stelling, dat de Nederlanders zich bij de ontwikkeling der progressieve mensurering niet onbetuigd zullen gelaten hebben, niet te gewaagd is.

Zoals u weet, verstaan we onder progressie der mensuur, dat de wijdte van de pijp naar boven verminderd, dus niet zoals eerst de gewoonte was, een zelfde stem van dezelfde afmeting, wat bas en discant een verschillend klankkarakter gaf. In onze mening worden we gesterkt, als we kennis nemen van het referaat „Zur geschichte der orgelmensuren und ihre bedeutung für die Kunst der orgelbauen" van dr. Walcker op het Freiburger congres van 1926 gehouden. Walcker vermoedt, dat de progressie van de wijdte van de pijp begon, toen men de toonomvang vergrootte. „Want" zegt hij „al na drie octaven is het technisch onmogelijk bij een gelijke wijdte en verkorte lengte nog een goede „gesunden" toon te verkrijgen.” En wat ik u aanstonds hoop aan te tonen daar de Nederlanders, wat de ontwikkeling der orgelklavieromvang betreft, vooruitstrevend waren, is het gezien het vermoeden van dr. Walcker niet onmogelijk, dat zij bij de oplossing van dit probleem een niet onbelangrijke rol zullen gespeeld hebben.

Volgens Kinkeldey in zijn belangrijke boek ,,Orgel und Klavier in der Musik des 16en Jahrhundert’’ moet men in de Nederlanden in 1400, 1500 de aanvang toen van het orgel op F groot stellen. Daarentegen in Spanje niet, want daar kon men rond 1480 reeds orgels aantreffen met C groot als begintoets en in Italië 1473 zelfs met F contra. Eigenlijk zegt hij F groot doch door Jan Zwart in het orgelistenblad 1e serie No. 5 is dit op onweerlegbare wijze verbeterd in F contra. Maar, wanneer we in een bestek van 1455 van een orgel te Delft, de hierin aangegeven voetmaat als „absoluut" mogen aannemen, dan begon dit orgel vanaf C groot, want het was ‘een orgelwerck van 16 voeten’. En deze absoluut opvatting ligt betrekkelijk voor de hand. Want het was tamelijk wel de gewoonte de voetmaat juist aan te geven.

Men sprak van een 6, 12, 24 voets orgel waarvan de begintoets F groot of F Contra was, van een 5, 10, 20 voets als het orgel met G Groot of G contra begon en van een 3 1/2, 7, 14 voets als het aanving met D Groot. En daar het orgel te Delft volgens ,,manieren en formen” moest zijn als het orgel te Leiden, mogen we dan niet veronderstellen, dat ook dit orgel een gelijke klavieromvang had als het eerstgenoemde, zodat dit niet het eerste was met C groot als begintoets?

Zoals ik zei, was het tamelijk de gewoonte de voetmaat juist aan te geven. Maar er waren uitzonderingen, zodat de voetmaat van het Delftse orgel ook „relatief" opgevat kan worden. Maar dan relatief in die zin, als van een orgel in 1503 te Arnhem en met dit orgel nog anderen.

Dit Arnhemse orgel was, volgens het oude bestek ook een 16 voets orgel, doch begon niet met C groot, maar met F contra.

De eigenaardigheid van dit orgel zou dus zijn geweest, dat het op F contra, C groot liet horen? Heel vreemd hoeven we daar niet van op te kijken. Als we lezen in het reeds genoemde boek van Kinkeldey in het hoofdstuk „die Transposition", dat de organist wanneer hij met orgel het koor moest begeleiden of daarmee alterneren, het te spelen werk dikwijls een kwint lager moest transponeren, vinden we hierin een punt van overeenstemming. Volgens de relatief opvatting zou dan het orgel te Delft nog lager dan C groot zijn begonnen, namelijk F contra.

Dit alles doet ons zien:
1e. dat men in de Nederlanden ook het orgelklavier met aanvangtoets C groot kon aantreffen en zelfs nog voor de tijd die Kinkeldey aangeeft voor Spanje, zodat de mogelijkheid bestaat dat deze klavieromvang van hier naar Spanje is gekomen; en
2e. dat het niet buitengesloten is, dat men zelfs het F contra klavier kon aantreffen en eerder dan men het in Italië kende.

Hierbij komt nog dat behalve hetgeen ik reeds aangevoerd heb voor dit laatste, ik u nog zou kunnen wijzen dat in de kerk te Delft, waar in 1455 dat nieuwe orgel moest komen, nog een ander heeft gestaan, dat men, toen het nieuwe er was toch het grote orgel noemde. Waarom was dit orgel groter? Omdat, als we aan de absoluut opvatting vasthouden van de voetmaat van het nieuwe orgel dit orgel dan misschien lager dan C groot begon? Dus groter klavieromvang? En tenslotte nog dit: de lage toetsen waren van zo'n F Contra orgel voor het pedaal. En waar het pedaal volgens onze tegenwoordige wetenschap in Brabant is uitgevonden en Nederlandse orgelbouwers in niet geringe getale in 1400 in Italië werkzaam waren, zoals we lezen in „Les musiciens Neerlandais en Italie" van Van der Straeten schuilt er in de chronologie van punt 2 een zekere logica.

Ontwikkeling rugpositief
Een andere klank en speelmogelijkheid van het Nederlandse orgel boven dat van andere landen was gelegen in de aanbrenging van het rugpositief. Over het algemeen wordt aangenomen dat dit zo belangrijke deel van het orgel in de 16e eeuw als nieuwigheid is aangebracht.


Recente onderzoekingen, zoals het in kort verschenen boek van H. Klotz „Ueber die orgelkunst der Gothik" tonen dat dit reeds werd gedaan in de 15e eeuw. Hij noemt dan Zuid Duitsland. Maar daar hij geen tijd en plaats aangeeft, veronderstel ik dat hij het orgel te Strassburg op het oog heeft, waarvan bekend is, door het werk „Gotfried Silbermann" van Flade, dat dit in 1489 een rugpositief had.

Klotz zegt verder, dat het rugpositief vanuit Zuid Duitsland over Frankrijk naar Nederland is gekomen. Maar, hier in de Nederlanden was het rugpositief al in het eerste gedeelte van de 15e eeuw bekend. lk lees in het oude bestek van het genoemde orgel te Delft, dus in 1455, dat „dair in een positieff" moest gemaakt worden met dryerhande geluit.

Nu kan de tegenwerping gemaakt worden dat er staat „dair in". Goed! Doch laat dit geen zeker bewijs zijn. Drie jaar later in 1458 moest in die zelfde kerk „een orgel verbeterd worden en een positief daarvan gemaakt." Hier hebben we het rugwerk.

Dit werk moest volgens een zeker voorbeeld gemaakt worden want we lezen in dit bestek „dat dit werck met ordonnantiën moest zijn als enig werk dat de kerkmeesters en de organist kyessen zouden in Holland, Brabant of Vlaanderen".

Dat dit positief naar een zeker model gemaakt moest worden is een bewijs dat dit niet het eerste rugwerk is geweest. Trouwens, anders had men dit wel anders gezegd. Het wijst op een zekere traditie en dat men deze rugwerken-bouw ook in Zuid Nederland kan aantreffen. Uit het begin en midden der 15e eeuw kan ik u geen orgels met rugwerken noemen in Zuid Nederland, wel uit later tijd, namelijk 1480 te Tienen, volgens Hill in zijn „organ and organ cases". De bouw daarvan is zodanig, dat we beslist mogen veronderstellen, dat de bouw van rugpositieven reeds flink ingeburgerd was.

Tenslotte wijs ik u op de dispositie en dan:
Primo: op de grote verscheidenheid in klankkleur. Zoals ik reeds gezegd heb, de Nederlanders hebben vele nieuwe registers uitgevonden.

Secundo: op het principe, volgens hetwelk men werkte. En dan heb ik speciaal het oog op het Noord Nederlands orgel uit het begin 16e eeuw.

Dit principe, dat verder de gehele 16e- en een gedeelte der volgende eeuw heeft beheerst, veranderde onder invloed van de reformatie. Dit principe is ontstaan onder invloed van de polyfone vocale school en berust hoofdzakelijk op het uitspelen van de verschillende stemmen tegen elkaar. Zoals ik al opgemerkt heb, het zogenaamde met uitkomende stem geregistreerde spel was geliefd.

Vergelijkende studie
Wanneer we een vergelijkende studie maken van Nederlandse disposities en die van andere landen, vooral Duitsland en daarvan inzonderheid Noord Duitsland, dan zien we dat dit tamelijk sterk beïnvloed is geworden door ons orgeldispositie-principe van begin 1500.


Zag men in Noord Duitsland eerst heel sporadisch een Trompet 8 op het hoofdmanuaal, later niet. Kwam de Sexquialter eerst in het geheel niet voor, later wel en op dezelfde wijze gedisponeerd als in Noord-Nederland.

Toen men de Nederlandse Vox Humana leerde kennen, gaf men deze ook een plaats en als bij ons, één in het rugwerk. Dit om enkele dingen aan te stippen. En juist door deze goede indeling was de klankmogelijkheid van het Nederlandse orgel groot.

Wij kunnen deze lijnen trekken :

Is het een drieklaviers orgel, hoofdmanuaal, borst- en rugwerk, dan zien we eerstgenoemd bezet met Prestant 16 (duidelijkheidshalve geef ik onze voetbenaming), Prestant 8, Octaaf 4 en soms ook Quint 2 2/3 en Octaaf 2, de laatste werd vaak weggelaten. Verder Mixtuur, veelal Scherp en Trompet 8.

Ook ontmoet men in oude dispositie-opgaven wel eens de Bourdon 16 op het hoofdmanuaal. Maar hier moet u niet denken aan onze Bourdon. Dit was een eng gedekte.

Wijd gemensureerde grond- en vulstemmen kwamen niet voor op dit manuaal bij het drieklaviers orgel. Eerst later ongeveer 1600 gebeurt dit. Zover ik kan nagaan, is het eerste orgel in Noord-Nederland waar we dit zien toegepast, het orgel in de Grote kerk te Rotterdam, gebouwd 1642-'44 door Hans Goldfusz. Dit drieklaviers orgel had een Sexquialter op het hoofdmanuaal.

Het rugwerk, dat van zijn aanvankelijk met drie stemmenbezetting zoals bijvoorbeeld te Delft uitgegroeid was tot zoals in sommige gevallen negen registers „in der rugge'', had dan behalve het zogenaamde enge koor bijvoorbeeld Prestant 8, 4, Mixtuur en soms Scherp óók een wijd koor als bijvoorbeeld begin 1500 te Haarlem: Quintadeen 16, Holpijp 8 en Sifflet 4 en Sexquialter. Of te Delft: Quintadeen 8, Fluit 4 en 1. En behalve dat dit soort stemmen waren meestal één of meer tongwerken aanwezig: Dulsiaan, Toesijn, Cromhoorn of Trompet.

Soms zoals in 1534 te Breda, een gesloten tongwerkenkoor: Kromhoorn 16, Reghaal 8 en Scalmeij 4.

Het borstwerk had aan stemmen enige leden van de enge prestantenfamilie. Echter nooit Mixtuur en Scherp. En van de wijde, die van 8, 4 en 2 voetslengte, ook vaak een Quint 2 2/3. De 2 voet was doorgaans de Gemshoorn en de kwintstem de Nasard. Een enkele maal zien we wel eens de Sexquialter en zonder mankeren één of meer tongwerken.

Bestond het orgel uit twee klavieren: hoofdmanuaal en rugwerk, dan zagen beide manualen er hetzelfde uit als bij een drieklaviersorgel.

Waren er twee klavieren: hoofdmanuaal en borstwerk, dan had eerstgenoemd juist als regel wél een geheel wijd koor naast het enge. En in de borst alleen wijden als Quintadeen 8, Fluit 4, Sifflet 4 en als tongstem bijvoorbeeld de Cromhoorn 8 en Scalmeij 4.

Had het orgel één klavier, dan was dit bezet met bijvoorbeeld Prestant 8, 4 en Mixtuur, dus de engen. En daarnaast bijvoorbeeld Holpijp 8, Fluit 4en Gemshoorn 2 als wijden. Een enkele maal, als in Oosthuizen nog een Sexquialter. Ook wel eens een tongwerk als de Trompet.

En om nog wat door te gaan over de dispositie van het Noord-Nederlandse orgel begin 16e eeuw: het pedaal was, hetzij het orgel één of meerdere klavieren had, bezet met geen of heel weinig stemmen, namelijk 1-3. In de meeste gevallen slechts één, een Trompet 8.

Hier was Duitsland ons mee op voor !Verder trof men geïmiteerde slaginstrumenten aan en vogelgeluiden bijvoorbeeld zoals te Gorinchem, waarvan we in het bestek lezen, dat er een Trommel op was en „geluid van vogelen, bijzonder Nagtegalen." Ook de Tremulant was aanwezig.

Manuaalkoppelingen
Koppelingen, en dan bedoel ik manuaalkoppelingen, want pedaalkoppelingen kende men niet, het pedaal was altijd aangehangen, kwamen wel voor, maar lang niet altijd. Trouwens, dat was toentertijd ook niet direct noodzakelijk. Grote tuttis werden niet gevraagd. Het orgel behoefde niet een zingende gemeente te begeleiden. Daartoe zou het, bij aanwezigheid van koppelingen toch niet in staat zijn geweest, wat ook gebleken is na de reformatie in de 17e en 18e eeuw. Toen is menig 15e en 16e eeuws orgel afgeschaft, vergroot en vernieuwd.

Het pre-reformatische-orgel was geen kracht-orgel. Dit kwam onder andere door de lage winddruk, onder hetwelk het pijpwerk stond. We weten van een orgel te Haarlem dat ongeveer 45 mm zou gehad hebben en te Hoorn dat 60 mm had.

Verder de manier van intoneren. De Mixtuur bijvoorbeeld was niet, zoals de laatste jaren bij ons, vollewerkbewerkstelliger (gelukkig, en dit wil ik er vlug achter zeggen, komt daar de laatste tijd enige verandering in), maar Prestant-versterker.

Nog veel zou te zeggen zijn over het orgel uit de roemrijke tijd, onder andere over de opstelling der windladen, die men noemde de „Secreten", het pijpwerk, kortom de bouw van het inwendige, dat zo geheel anders was als bijvoorbeeld het 18e eeuwse orgel.

Verder over de registratie-manieren, maar daar ik om de mij toebedeelde tijd moest denken, heb ik daar vanaf gezien.

Alleen wil ik nog even stilstaan en daarmee ook eindigen, bij de orgelarchitectuur van Neerlands grote orgeltijd. Hoe deze is geweest? Belangrijk? Toonaangevend?

Luistert u naar drie uitspraken, die ik u zal voorlezen, uitspraken van mannen die een studie hebben gemaakt van orgelfronten:

1e. De Engelsman Hill, die in zijn reeds aangehaald ,,Organ and organ- cases" zegt, dat de mooiste orgels in Nederland te vinden zijn.

2e. De Hollander Bierens de Haan, die zegt in „Het Houtsnijwerk in Nederland", dat de Hollanders bekwaam waren in het maken van een orgelkas en, daar het bouwen van orgelkassen eigenlijk het werk was van de timmerman en het timmerwerk juist een specialiteit van Holland was, het niet te verwonderen valt, dat hij, namelijk de timmerman, zijn kunde in het maken van gewelven en torentjes hier te pas bracht."

3e. De Belg Floris van den Mueren, die in z'n prachtwerk „Het Orgel in de Nederlanden" schrijft, dat de orgelfronten, speciaal die van Noord-Nederland op de eerste rangen moeten geplaatst worden. Alle drie uitspraken zijn gedaan in verband met het Gothische orgel.

Ter illustratie heb ik enig plaatwerk meegenomen met orgelfronten uit de 15e en 16e eeuw, zowel van Noord- en Zuid Nederland als daarbuiten namelijk Frankrijk, Duitsland en Zwitserland.

lk nodig u uit deze te komen bezichtigen, waarmee dan tevens mijn referaat eindigt.

lk hoop dat deze studie er heeft toe mogen bijdragen u een enigszins klaarder beeld te geven van de roemrijke tijd van het Nederlandse orgel.”

Bron: Het vereenigingsblad van de Nederlandsche Organisten Vereeniging mei 1934

Schrijf een commentaar: (Klik hier)

123website.nl
Tekens over: 160
OK Verzenden.
Bekijk alle commentaren

Nieuwe commentaren

05.09 | 20:54

Mooie en informatieve tekst

...
03.01 | 14:15

Mooi om (toevallig eigenlijk) hier te komen 20 jaar na het overlijden van Cor Kee.

...
18.02 | 14:09

Zet deze video erbij:
https://www.youtube.com/watch?v=oTsDgY6CqEM.
Kee's muziek klinkt aanzienlijk beter op een fraaie Witte
dan op een electronicum.

...
22.01 | 00:56

Wat een tijd. de vijftige jaren. Wat heeft mijn Opa daar vaak over vertelt, dat hij naar de samenkomsten ging van Hermann Zeiss. Wat een beleving.......

...
Je vindt deze pagina leuk