Jan Zwart speelde voor u

Jan Zwart (1877-1937)

Onder deze titel werd op 20 augustus j.l. de geboortedag van JAN ZWART (1877) herdacht voor de N.C.R.V.-microfoon. Bij deze uitzending werd gebruik gemaakt van een aantal amateuropnamen van Jan Zwarts orgelspel alsmede van enkele eigen opnamen van de N.C.R.V., die onlangs in het vooroorlogse archief werden teruggevonden. Het programma werd ingeleid en toegelicht door COR KEE. Vooraf werd een eigen opname gedraaid van het orgelkoraal "Gebed des Heren". Cor Kee sprak daarna het volgende:

Luisteraars,
Het horen hiervan voert mij in gedachten terug naar de tijd van de woensdagmiddag-orgelbespelingen van mijn oud-leermeester Jan Zwart in de Kloveniersburgwalkerk te Amsterdam, en wel in de aanvang daarvan. De tijd, dat b.v. de Amsterdamse orgelbouwer Steenkuil deze middagen bezocht met de hoge hoed op. De tijd, waarin Jan Zwart en ik, als jongen van een jaar of 15, elke week een morgen naar de "Kloof" gingen om te studeren.

Jan Zwart had vóór die tijd voor de woensdagmiddag-bespelingen nog niet zo veel geconcerteerd. Ik moest hem dan op die studiemorgens van alles voorspelen, met het oog op de registratie. Hij luisterde dan in de kerk, en ook ging het wel eens omgekeerd. Er waren ook orgelwerken van Jan Zwart bij; nog geen liedbewerkingen, wel koraalbewerkingen, o.a. het "Gebed des Heren", dat u zojuist hoorde. Met dit werk was hij zeer ingenomen; hij was er erg blij mee.

Ook herinner ik mij, dat hij erg blij was met zijn canonische bewerking van "O Hoofd, vol bloed en wonden". Het orgel had in die tijd nog niet het beroemd-beruchte zgn. vierde klavier, het Fernwerk. Wat velen niet zullen weten is, dat Jan Zwart toentertijd fel gekant was tegen het aanbrengen van moderne stemmen bij een oud werk. Hij vond dat absurd. Breero zou zeggen: "Het kan verkeren"! Een orgelmotor was er toen ook nog niet. Voor de orgelmiddagen was er een orgeltrapper, en soms vroeg Jan Zwart mij hem te helpen bij het laatste nummer. Hij wilde dan graag volle werk, speciaal b.v bij zijn Psalm 72 of zijn Allegro furiante.

Na afloop van deze bespelingen zagen wij nog wel eens de blinde organist van de Oude Lutherse Kerk, Pomper, boven komen, of Bonset van de "Ronde", of Rijp van de Nieuwe Kerk. Hasselaar, later organist van de Westerkerk, zei mij eens: "Men kan zeggen wat men wil over Jan Zwart, en inderdaad, hij maakt wel eens rare sprongen, maar een ras-organist en -artist is hij".

Ja, Jan Zwart was een voluit organist met een sterke doelbewuste geest en een bewogen hart, wel natuurlijk deel uitmakend van zijn tijd. Laten we dat niet voorbij zien. Het was de tijd van de De Vriezen, Hendrik in Rotterdam en Willem in Nijmegen, en de Pauw en later De Wolf; een tijd, die toen nog geen flauw vermoeden had van wat zich over enige tientallen jaren zou afspelen in het orgeldomein.
"Elke tijd heeft zijn eigen canon, waaraan hij zich meet" zei Godfried Bomans, en zo is het. Logisch is, dat Jan Zwart zich bediende van de middelen van zijn tijd. Wij doen dat ook, maar het opmerkelijke is, dat hij dat deed op zijn wijze. Hij was geen leentjebuur-orgelcomponist.

Het wil toch heel wat zeggen, dat je, na een paar maten van Jan Zwart's muziek, zegt: "Dat is van Jan Zwart". Zeker, wij kunnen invloeden aanwijzen van b.v. een van zijn leermeesters. Van Krieken, destijds organist van de nu verwoeste Zuiderkerk te Rotterdam, en via hem van Gade, iemand die Van Krieken hoogachtte. Ik weet nog goed, dat Jan Zwart Gade's "Drei Tonstücke" graag speelde, voor die tijd goede muzikale orgelwerken.

En verder stond hij onder de invloed van de Noor Grieg, vooral wat de harmoniek betreft. Jan Zwart hield veel van Grieg's werken. Met veel liefde wees hij mij op de schoonheden van Grieg's "Poetische Tonbilder", mooie miniatuurtjes voor piano. En waar hij bijzonder op gesteld was, was Grieg's Vioolsonate in g. Heel wat keren heb ik deze gehoord op de vrijdagsmorgens, als hij samenspeelde met de Zaanse violist Gerrit Brouwer. Daar werd regelmatig de vioolliteratuur doorgenomen.

Dit zijn dingen, die van belang zijn om Jan Zwart beter te leren kennen. Zulke dingen zijn er trouwens nog wel meer. Ik had het genoegen Jan Zwart te kennen, toen velen van zijn kinderen en leerlingen hem nog niet kenden.
Later heb ik van anderen les gehad, o.a. van De Pauw, Rijp, en niet te vergeten Sem Dresden, maar Jan Zwart heeft toch sterke orgelistisch beslissende indrukken bij mij achtergelaten. Nadien hebben wij veel gekibbeld en hadden meningsverschillen, over b.v. de orgeltechniek en de interpretatie van verschillende werken. Wij gingen uit elkaar, maar kwamen ook weer tot elkaar, en waren het in de kern steeds eens.

Zoals ik reeds opmerkte was Jan Zwart geen leentjebuur-orgelcomponist. Hij wilde zichzelf zijn. Hij heeft mij ook altijd voorgehouden "Wees jezelf", waar ik hem dankbaar voor ben. Ik herinner me nog heel goed een gesprek met hem. De plek weet ik ook nog; het was bij de Pijlsteeg in Amsterdam. Het was naar aanleiding van een boekje met eenvoudige harmonium-muziek van Jacques Bleij, dat toen verschenen was, uitgegeven door Goldschmeding. Hoe eenvoudig ook deze muziek was, Jan Zwart prees de eigen uitdrukkingswijze van Bleij. "Men moet anderen niet nadoen" zei Jan Zwart, "ook mij niet. Ik heb ook geprobeerd mijzelf te zijn". Jan Zwart zou met een puntdicht -daar hield hij immers zo van- hebben kunnen zeggen:

    "Ik ben J. Z.
    opgelet,
    Draag niet mijn hoed of pet,
    maar zet
    iets op
    wat past op joùw kop!"

Wij weten, dat Jan Zwart van Sweelinck hield, en zich verdiepte in zijn leven en werken. Maar hij werkte niet met passer en meter om Sweelinck na te doen. Het ging hem om het essentiële. Het ging hem, zoals Sem Dresden ergens zegt in zijn geschriften: "Het moet b.v. bij de bestudering van oud-Hollandse meesters niet gaan om hun wijze van uitdrukking, maar daarachter om hun persoonlijkheid en karakter om het doordringen in de oude melodiek, vooral van psychologisch standpunt, en dat kan niet anders dan bevruchtend werken". Zo verging het Jan Zwart. Hij was te muzikaal-intelligent om het in het copiëren te zoeken. Hij was, om het zo eens te zeggen, geen liefhebber van namaak-gothische meubelen.

En zie nu onze tijd. Als Jan Zwart nu eens kon komen zien en horen hetgeen hem zelf betreft, ben ik ervan overtuigd, dat hij heel wat keren zou zeggen: "Dat heb ik niet bedoeld, ik ben niet het einde van het orgel- en kerkmuzikaal latijn. Richt toch van mijn melodiek en harmoniek geen conservenfabriek op. Wees jezelf. Mij een plezier doen, dat grote woord te gebruiken: mij eren, is voort te bouwen op wat ik heb gedaan. Zoek eigen taal en leef vanuit eigen tijd!"

In het Zwarte Beertjes Muzieklexicon, redacteur: Gerrit Slagmolen, lezen wii over Jan Zwart: "Zijn streven heeft zijn onmiddellijke nagaslacht in 2 kampen verdeeld; aan de ene zijde staan zij, die in Zwart's voetsporen treden,... sterker aan zijn werkwijze dan aan zijn ideaal vasthouden; aan de andere zijde zij, die Zwart's ideaal als uitgangspunt en basis zien en zijn geestdrift als aansporing ervaren voor een brede ontwikkeling van de Nederlandse protestantse kerkmuziek en de orgelcultuur in haar geheel". De schrijver noemt ook twee Nederlanders als exponenten van beide richtingen. Ik ben ervan overtuigd, dat Jan Zwart graag zijn tent zou hebben opgeslagen in kamp 2, en zich daar thuis gevoeld.
Ik meen, dat ik mijn oud-leermeester geen oneer aandoe, als ik ook nog lets vertel van een ander gesprek met hem, uit later tijd daterend. Mijn eerste bundel Psalmen was uitgegeven bij Alsbach, en ter kennismaking had ik hem een bundeltje gegeven. Op zekere dag reisden wij weer, zoals vaak, tezamen van Zaandam naar Amsterdam. Jan Zwart zei mij met belangstelling kennis te hebben genomen van mijn nieuwe werk, en zei verder nog: "Het moet een andere kant uit. Ik ben ook van plan het veelvuldig gebruik van septime-accoorden los te laten en anders te gaan schrijven". Helaas kwam daar niet veel van, daar hij aan de sukkel raakte en spoedig stierf.

Als Jan Zwart nu nog geleefd zou hebben en vitaal gebleven zou zijn als b.v. een Verdi -ik vergelijk hem niet met Verdi (dat is net zo onzinnig als hem te zien als een tweede Sweelinck of een tweede Bach; Jan Zwart is Jan Zwart, meer niet, en ook minder niet)- nogmaals gezegd: als hij nu nog geleefd zou hebben en vitaal gebleven zou zijn, en hij zijn verlangen naar een andere schrijfwijze zou hebben kunnen volgen, dus dat zijn taal zich gewijzigd zou hebben -zulks is toch veel voorgekomen in de componistenwereld-, dan zou Jan Zwart wellicht heel wat te stellen hebben met zijn eerstetijds "pro"-mensen. Misschien had hij klappen te incasseren en geroepen: "Schei toch uit, laat me los! Ik wil mezelf zijn. Ik wil geen afgod zijn. Doe niet zo onbijbels!"

Tenslotte nog dit. De schrijver Greshoff zegt in zijn "Bric-à-brac": "De bewonderaars-door-dik-en-dun vergeten steeds, dat zij het zijn, en niemand anders, die de bewondering in discrediet brengen. Niet het bewonderen-door-dik-en-dun van alles-wat-los-en-vast-is bewijst een grote genegenheid, maar wel het voorzichtig en aandachtig wikken en wegen, het gewetensvol aarzelen voor de keuze. De ware kunstrechter oordeelt, geroepen om goed van kwaad, echt van vals te scheiden, in de heilige overtuiging, dat deze schifting de kunst, welke hij bemint, ten goede komt. Men vergist zich deerlijk, als men denkt, dat kritiek een werk van haat is. Kritiek is een werk van strijdbare liefde. Kritiek, mits naar de aard beoefend, streeft naar een duidelijke onderscheiding tussen wat inderdaad bewonderenswaard is en wat geen bewondering verdient." Deze houding kende Jan Zwart, en van deze praemisse ging hij uit ten opzichte van anderer werk. En hij zou het respecteren, als hij wist, dat wij nu zo handelen met zijn werk.

Om u nu verder iets van Jan Zwart te laten horen, beginnen wij met Psalm72, voorspel, koraal en naspel. (Dat is niet het werk, dat ik genoemd heb, waarbij ik moest helpen bij de windvoorziening; dat was Postludium en fuga, een nog niet uitgegeven werk).
(Bandopname)

Vervolgens hoort u enkele fragmenten uit de amateur-opnamen van uitzendingen. Als eerste hiervan komt koraalbewerking over "Jezus neemt de zondaars aan". In Jan Zwart's tijd speelde het sentiment een grote rol in de orgelmuziek. Niet, dat men nu orgelmuziek schrijft zonder gevoel, maar toen lag het accent meer op het subjectieve en nu meer op het objectieve. Een gevaar bij het eerste is, dat dit kan ontaarden in te sentimentele ongezonde aanslag, zoiets als pl -pl (een soort arpeggio), slechts rubato, een niet-in-de-maat-spelen. Ik wil gaarne wijzen op een gezonde exactheid in het spel van Jan Zwart bij wat u aanstonds ten gehore krijgt.
(Bandopname)

Nu volgt een Variatie van Rinck over het Engelse volkslied, gespeeld ter gelegenheid van het overlijden van Koning George V van Engeland.
(Bandopname)

In hetzelfde kader speelde Zwart ook het orgelkoraal "Alle Menschen müssen sterben" van J.S. Bach. Zwart gebruikte graag de tremulant bij solo-registers. De tremulant speelde een grote rol in vorige tijden, en met smaak gebruikt, kan de tremulant aan de klank iets "liebliches" geven, zoals Praetorius, iemand uit een grote orgeltijd, zegt. Natuurlijk geldt bij alles "overdaad schaadt". Jammer is, dat de letterlijke volgelingen van Jan Zwart in deze klem zijn gevallen.
(Bandopname)

Van de gevonden fragmenten laten wij u thans horen de liedbewerking "Ga niet alleen door 't leven", met de later door Jan Zwart veel gebruikte modulatorische uitwijkingen. Nobele romantische muziek, maar die wel om een juiste interpretatie vraagt, wil het gezond blijven.
(Bandopname)

Wij besluiten dit unieke orgel-halfuur, want dat is het toch, met voorspel en koraal "Halleluja, lofgezongen". Het werk begint met een accoord, aangeslagen met dat element, onmisbaar in goed orgelspel: een beheerste wil. En tenslotte: ik ben dankbaar aan deze uitzending ter herdenking van Jan Zwart's geboortedag te hebben mogen meewerken.

Bron: Het Orgel, editie september 1959

Revue der verdwijnende registers van het Bavo-orgel

HAARLEM - "REVUE van de verdwijnende registers van het Bavo-orgel" zou een niet zo heel ongeschikte titel zijn voor het drukbezochte concert dat door de Zaandamse organist Cor Kee op het Muller-orgel in de Sint-Bavokerk werd gegeven. Zonder zich pro of contra uit te spreken omtrent de voorgenomen restauratie, waarover ons blad indertijd uitvoerig heeft bericht, heeft hij een drietal composities gekozen, er zelf nog een voor geschreven en heet van de naald een improvisatie gegeven op een thema van Anton Heiller, waarbij de registers die volgens de restauratie uit de dispositie zullen verdwijnen, registers die op zich zelf waardevol zijn, doch die niet in de oorspronkelijke dispositie voorkwamen, aan bod konden komen.

Registers, die de Haarlemse musicoloog Jos de Klerk onlangs de opmerking in de pen gegeven hebben, ze in een vierde, nieuw te bouwen klavier onder te brengen omdat ze een tijdlang de schoonheid van het orgel, zij het voor een bepaalde stijlperiode, gediend hebben en met de andere registers bestemd waren om composities uit die periode te laten klinken, zoals de componist ze had gedacht. Een denkbeeld dat bij rustig overwegen lang niet verwerpelijk is en dat slechts stranden zal op de historiserende beginselen die de verantwoordelijke autoriteiten voor deze restauratie volgen.

Cor Kee opende zijn concert met een in bedachtzaam tempo gespeelde Chromatische Fantasie van Sweelinck, waarin hij evenals in de Oud-Hollandse Speelmuziek van Johan Wagenaar en het Preludium en Fuga van Badings, elk in hun eigen stijl gelegenheid te over vond om de rijkdom van de bestaande dispositie alle recht te doen. Zijn „Suite Bavoorgel-1958" verwerkt als herinnering, een en ander van wat zich afspeelde op en rond dit orgel, zoals de componist in een toelichting van het programma meedeelt. „Elke periode kent zijn eigen canon waaraan het zich meet; en waarover men nu huilt, lacht men straks, en omgekeerd."  

In de verwerking van zijn thematisch materiaal laat hij verschillende organisten die hier stadsorganist waren „aan het woord". Aan de 19e eeuwer Joh. G. Bastiaans, de vernieuwer van de Haarlemse orgelstijl ontleende hij een bas-motief dat hij door de verschillende tongwerken met figuraties laat omspelen en in volle akkoorden zijn plaats geeft. Het tweede deel is gebaseerd op het Kerstlied van Vondel „O Kerstnacht, schoonder dan de dagen", waarvan de bekende melodie hoogstwaarschijnlijk van de hand van de Haarlemmer Cornelis Tymensz. Padbrué is.

Cor Kee componeerde het in een 17e eeuwse en in een 20e eeuwse zetting, de laatste in tere kleuren. In het derde deel bezigt hij de door Joan Dusart, 17e eeuws organist en klokkenist van Haarlem, uitgevonden Cornet, een sterk en doordringend register, dat een pittig thema als canon in de kwint verwerkt. Het „Hildebrandt-monumentje" geeft hem aanleiding tot felle contrasten van ff en pp en het hier met een uiterst dunne vulstem al even ondeugend klinkend regeltje „Ach, du lieber Augustin" dat de tante uit de Camera Obscura plotseling uit de speeldoos liet horen. Het slot van deze geestig parodiërende en meer badinerend dan diepgaand bedoelde Suite was een knap geschreven dubbelfuga op enkele letters uit de namen van de beide tegenwoordige stadsorganisten Albert de Klerk (a-b-e-d-e-e-) en Piet Kee (e-e-e), waarbij de tussenspelen herinneren aan wat deze organisten gewoon zijn te spelen: Bach en Franck. Het thema voor de improvisatie van een Passacaglia verschafte hem rijke harmonische mogelijkheden waarvan hij een briljant gebruik maakte. De zeer gevarieerde Passacaglia liep vlot van stapel en heel het palet van het orgel-van-1958 kreeg een beurt, zodat hij een zeer fraaie afwisseling bereikte met een klarinet-solo en andere „op de contrabande-lijst" staande registers in een heldere climax naar een statig en berustend einde. Ten slotte zijn organisten vreedzame mensen, sommige zelfs wijsgerig aangelegd en aan zijn spel te horen, is Cor Kee er één van. Piet Visser

Bron: Algemeen Handelsblad 16-07-1958

Cor Kee over oude en nieuwe klankproblemen

De Zaandamse organist Cor Kee, die aan de Zomeracademie voor orgel doceert in de kunst van de improvisatie, verzorgde dinsdagavond in de Grote Kerk te Haarlem de gemeentelijke orgelbespeling. Hij trakteerde een vrij talrijk publiek op een concert, dat in menig opzicht gepeperd en gekruid mocht heten. Het was er Kee blijkbaar om te doen de meest zeldzame klankcombinaties, die op het orgel van Christiaan Müller nu nog mogelijk zijn, een opzettelijke rol te laten vervullen.

Daartoe diende vooral de vertolking van zijn vijfdelige compositie „Suite Bavo-Orgel 1958". Hierin is met spirituele inslag een en ander over de klankproblemen, die in de loop der tijden om het instrument oprezen, aan de orde gesteld en waarvan de vertolking dus ook meebracht, dat er opzettelijke registraties in te pas werden gebracht. De herinnering aan de organist Bastiaans die negentig jaar geleden een aanzienlijke wijziging in de dispositie van het orgel wist door te zetten, werd in de Suite bewerkstelligd door een Intrade op een obstinaat basmotief van hemzelf en gespeeld op de tongwerken, waarbij in een alternatief de fraaie klarinet te horen was, een der registers van de toenmalige vernieuwing. Vondels Kerstrei, waarvoor de Haarlemse musicijn Thymen Padbrué ongetwijfeld de muziek schreef (zoals ik in ons blad al eens breedvormig betoogd heb) vormde het tweede deel van de Suite, doch aangezien er ook een gewijzigde lezing uit de vorige eeuw van dit lied bestaat, speculeerde Cor Kee op het verschil in klanksmaak, door de originele zangwijze in mixtuur te laten horen en daarna de jongere, verwaterde melodie in grondtonige labialen.

Aan de organist Dusart, die in de kerk het oude orgel bespeelde, wordt de vinding van een kornetregister toegeschreven, aanleiding om in de Suite ook een nummer aan hem te wijden, waarin zijn inventie geïmiteerd (ik schreef haast „geparodieerd") werd. En omdat in de tijd dat Beets zijn „Camera Obscura" schreef, de Haarlemmers trots waren op de daver van het volle werk, maar ook vol bewondering voor het uitermate zachte geluid van het Bavo-orgel, demonstreerde Kee deze contrasten in zijn compositie onder de titel „Een Hildebrandmonumentje".
Tenslotte portretteerde hij in een contrapuntisch slotdeel de beide tegenwoordige stadsorganisten. waarbij het hoofdzakelijk om moderne klankcomplexen ging, ongeacht dan de spirituele vondsten, die niet van de lucht waren.

Cor Kee had zijn bespeling met een rustig beheerste interpretatie van Sweelincks „Chromatische Fantasie" ingeluid. Voor een reeks stukken onder de titel ‚‚Oud-Hollandse Speelmuziek" van dr. Johan Wagenaar sprak hij rijkelijk de pronkkast van het instrument aan om zijn vertolking karakteristiek te kleuren. In een gaaf gespeeld „Preludium en Fuga" van Henk Badings doseerde hij ook heel wat „kruidnoten” en de passacagliavorm waarin hij improviseerde op een thema, dat hem op het laatste moment voorgelegd werd, was als het ware gekozen om het spectrum der orgeltimbres tot in het oneindige uit te buiten. Jos de Klerk

Bron: Oprechte Haarlemsche Courant 16-07-1958

Schrijf een commentaar: (Klik hier)

123website.nl
Tekens over: 160
OK Verzenden.
Bekijk alle commentaren

Nieuwe commentaren

05.09 | 20:54

Mooie en informatieve tekst

...
03.01 | 14:15

Mooi om (toevallig eigenlijk) hier te komen 20 jaar na het overlijden van Cor Kee.

...
18.02 | 14:09

Zet deze video erbij:
https://www.youtube.com/watch?v=oTsDgY6CqEM.
Kee's muziek klinkt aanzienlijk beter op een fraaie Witte
dan op een electronicum.

...
22.01 | 00:56

Wat een tijd. de vijftige jaren. Wat heeft mijn Opa daar vaak over vertelt, dat hij naar de samenkomsten ging van Hermann Zeiss. Wat een beleving.......

...
Je vindt deze pagina leuk