Piet Kee

Bijzonder muzieksucces Piet Kee

Uit een vijftigtal kandidaten is na vergelijkend proefspel de driejarige studiebeurs aan de Amsterdamse muziekschool (dir. Willem Andriessen) toegekend aan den 13-jarigen Piet Kee, zoon van de musicus Cor Kee.

Zijn proefspel bestond in het spelen op de vleugel van een Czerney-étude uit Schule der Gejaufigkeit, het uit het hoofd spelen van het eerste deel van Sonate 4 in Bes van Mozart, de 1e Arabesque van Debussy en enige theoretische oefeningen. Tot nu toe genoot hij zijn opleiding bij zijn vader, bij wien hij verder kerkorgel blijft studeren. Viool studeert hij onder leiding van Piet van Mever.

Bron: Zaans volksblad 05-06-1941

 

ENKELE GEDACHTEN OVER DE „ZAKELIJKE" STIJL

Piet Kee in 1973

Allerwege is er de laatste jaren in de kunstwereld een verlangen naar eenheid van stijl en naar stijlzuiverheid. Hoeveel historische concerten zijn er niet gegeven met stilistisch zuivere vertolkingen? Hoeveel historische uitgaven zijn er niet verschenen? Dit alles wijst op bezinning. Waar bezinning is wordt gedacht. En een tijd van gedachte is een tijd van stijl, want „stijl is de zichtbare kristallisatie van gedachten .

Door: Piet Kee

Kunst evolueert. Er is een gestadig veranderen. Het leven openbaart zich steeds weer in andere vormen. Het is actie en reactie. Een pogen en tegen pogen om het „leven" te vangen. Soms is het een tasten, dan weer een bewust weten. Voor nu, voor deze tijd kunnen we het laatste constateren. Men kan zeggen dat er zekerheid is. Wanneer we zo in de kunstwereld rondzien, bemerken we een eenheid van stijl. Er is een verlangen om waar te willen zijn, wars van alle overgevoeligheden, naar doelmatigheid, vastheid van lijn, objectiviteit.

We zien dit in de bouwkunst reeds bij Berlage –Amsterdamse Beurs- en later vooral bij Dudok's werken. Uit deze bouwwerken spreekt soberheid, rust en vernuft: zij zijn doelmatig en logisch geconstrueerd. Maar het is niet alleen vernuft, doch niet minder de fantasie, waardoor deze bouwmeesters bezield werden.
 Geheel andere schoonheidsnormen laten zich gelden. Bij de nieuwere schilders als Hynckes, Ket, Koch en Schuhmacher zien we ook die klaarheid van lijn, die we „zakelijk" zouden kunnen noemen. Er is geen omslachtigheid, geen vaagheid. De vormgeving is bondig.
 In de muziek zouden we onder meer op Badings, Ketting en Landré (G.) kunnen wijzen. Ook hier directheid, scherpe contouren. Vanzelfsprekend is het polyfonisch denken en voelen primair: het is een lineaire compositie. De polyfonie is er een die de conflicten niet uit de weg gaat. Consequenties worden aanvaard: dissonanties.

 Dat deze stijl zich bijzonder goed leent om orgel- compositorisch beoefend te worden is te verklaren. De orgeltoon is objectief. Zodra men hem subjectief wil maken, verliest hij zijn karakter. En de orgelmuziek  zegt de orgelexpert dr. Mahrenholz „ist ihrem innersten Wesen nach polyphon, sie war es immer-abgesehen von Verfallzeiten  und wird es stets bleiben".
Dàn, wanneer er zuiver lineair voor orgel gedacht wordt, ontstaat het zuiverste orgelwerk. Denk aan de Bach- en vóór-Bachsche tijd. Reeds vele goede, soms belangrijke orgelwerken zijn de laatste jaren geschreven, en daar er grote perspectieven geopend zijn kunnen we er zeer zeker nog meerdere tegemoet zien.
In verband met deze stijl verwachten we voor het orgel als instrument nog grote veranderingen. Er wachten nog veel problemen om nu opgelost te worden: dispositie (juiste stemmenplaatsing), intonatie der afzonderlijke stemmen en dergelijke.

Of er bij deze stijl, die het directe, de werkelijkheid wil, los van alle gevoelige en overgevoelige subjectiviteit, nog sprake kan zijn van persoonlijke visie? Zeer zeker. Het is de moeite waard te bestuderen welk een groot verschil er is in hel toepassen van deze stijl bij de reeds genoemde componisten en schilders.

Men verwijt deze stijl wel eens koel en hard te zijn. Dat de schilderij van een Hynckes, Ket en Koch meer fotografisch dan schilderkunstig is en dat de compositie van een Badings er Ketting slechts met het verstand gecomponeerd is. Dus dat de nieuw-zakelijke stijl geen ontroering kent.
Of dit zo is?
Het volgende: Er is analogie te bespeuren tussen de kunst van heden en die der primitieven. Bij de laatste moet men ook scherp zien en luisteren om die ontroering, die er in hun werken schuilt, te ondergaan. Men verwijt de primitieven onbeholpenheid de hedendaagse kunst hardheid. Doch juist de  „onbeholpenheid" der primitieven en de „hardheid" der hedendaagsen in hun stijlschoonheid!

Juist het „fotografisch geziene" van het nieuwe schilderij en het „niet voor conflicten uit de weg gaand lijnenspel" van de nieuwe componisten en het „koele berekenende" van het nieuwe bouwwerk is schoonheid. Schoonheid van andere „orde" dan we gewend waren. De waardebepalingen zijn anders. Stijl wordt niet gemaakt. Zij komt op uit het volle leven. De nieuwe stijl dient men op zijn minst te respecteren. Dat men haar schoonheid moge zien.

Coda: Door gedachtenwisseling met anderen, vooral met mijn vader, over bovenstaand onderwerp, kwam ik tot het schrijven van  deze regels.

uit: Zaans Groen 15.03.1945

IETS OVER DE KUNST DER MUZIKALE IMPROVISATIE

We bedoelen met muzikale improvisatie het voor de vuist weg spelen van een fantasie. En dan niet alleen een vrije fantasie, maar een fantasie gebonden aan een vorm; een vorm in strenge lijnen als bijv. de sonate, fuga, variatievorm, enz. En niet slechts déze gebondenheid, maar ook die aan een opgegeven thematiek.

Iemand heeft eens gezegd: „Improviseren is van oudsher de toetssteen geweest voor het volledige muzikale vakmanschap. Pas de muzikant die déze kunst machtig was, verstond, naar oude begrippen, zijn handwerk volkomen en kon geheel voor vol worden aangezien. Zulke muzikanten waren geen uitzondering. Zij waren regel."


 Ook de grote componisten hebben dit „vakmanschap" sterk ontwikkeld en steeds in ere gehouden. Wat ook niet anders kan, daar dit toch een onderdeel van hun scheppend talent is.

 Zo was Jan Pietersz. Sweelinck, de grote Amsterdamse renaissancist, in staat het volgende te presteren (wij danken deze memorie aan zijn vriend Baudartius): „My gedenckt, dat ick eens met eenighe goede vrienden by meyster Jan Petersz. Swelinck mynen goeden vriend, gegaen zynde, met noch andere goede vrienden, in de maend van Mey, ende hy aen het spelen op zyn clave-cimbel ghecomen zynde, het selfde continueerde tot omtrent middernacht, spelende onder anderen het liedeken Den lustelicken Mey is nu in zynen tydt, d' welck hy, soo ick goede memorye daer van hebbe, wel op vyf-en-twintigerley wyzen speelde, dan sus, dan soo."

 Ook Joh. Seb. Bach was een groot improvisator. Een prachtig specimen is daarvan het proefspel, dat hij aflegde voor het verkrijgen van de organistplaats aan de Katharine Kirche te Hamburg. Hij varieerde een uur lang de melodie: „An Wasserflüssen Babyion", en zodanig, dat de toentertijd bekende improvisator Johan Adam Reinken vol bewondering uitriep: „Ich dachte diese Kunst ware ausgestorben; ich sehe aber, dasz sie in Ihnen noch lebt". Uit dit gezegde blijkt, dat deze kunst wel zijn „ups and downs" gekend heeft. A l zijn de grote componisten altijd deze kunst machtig geweest, in de muziekwereld was dit nog niet het geval.

 Momenteel beleven we in ons land een opleving van deze kunst. W e kenden al wel een enkelen improvisator, we denken bijv. aan den pianist Willem Andriessen en den organist Hendrik Andriessen, die steeds deze kunst beoefend hebben en tot groote dingen in staat zijn. Maar door het optreden van den beroemden Fransen organist Marcel Dupré is het gekomen, dat de organistenwereld hier te lande voor deze kunst sterk in beweging kwam. Geïnspireerd door zijn improvisaties ontdekte men eigen kracht en mogelijkheden, en ontwikkelde men zich tot grote hoogte. Representatief op dit terrein zijn de improvisatie-concerten, die de laatste jaren in de grote steden van ons land zijn gehouden, waaraan o.a. de organisten Anthon van der Horst, Cor Kee, Albert de Klerk en George Stam medewerkten. O p opgegeven thema's ontwikkelden zij variaties, fuga's, sonates enz. En het kwam daarbij somwijlen tot de meest interessante combinaties betreffende de verwerking der motieven en thema's. En wat vooral belangrijk was: het was sterk geïnspireerde muziek!

 Maar nog een andere muzikant is tegenwoordig in staat improviserend muziek te maken: namelijk de jazz-muzikant. Bij hem is de kunst van het improviseren een onontbeerlijke voorwaarde voor zijn beroep. Hoewel er in de Europese landen slechts imitatie is van de jazz als volkskunst, is er toch in overgebleven het spontane uit het natuurlijk muziekgevoel geborene.

 Een improvisatie hoort men eenmaal; daarvoor is zij improvisatie. Ook de jazz-muzikanten kennen dit. Ook zij kunnen een heel stuk improviseren op een opgegeven thema — hoewel niet in strenge klassieke vormen — en al menig verbluffend staaltje is door hen gepresteerd. De betekenis van improvisatie-concerten? In één van de verslagen over een improvisatie-concert, in de Haarlemse Sint Bavo, stond dit te lezen: „ Zulke concerten zijn belangrijker dan de allervolmaaktste uitvoering van 't allervolmaaktste werk van het standaardrepertoire. Dit is het scheppende, vrucht voortbrengende leven van een muziekcultuur. Zonder deze vermogens zou zij zich niet kunnen vernieuwen".
 P I E T K E E

 uit: Zaans Groen 15.03.1945

1951 HOLLAND-FESTIVAL

Piet Kee in 1964

HAARLEM - Sinds de tijd dat niet minder dan Händel en Mozart het beroemde orgel in de oude St Bavo-kerk te Haarlem eigenhandig bespeelden en daar niet alleen met hun composities maar ook met hun voor de vuist weggespeelde fantasieën het machtig instrument in de volheid en verscheidenheid zijner registerkleuren deden klinken, is er veel in de musiceertrant in Nederland veranderd. Het scheen lange tijd alsof de vrije fantasie de kunst van het improviseren het moest afleggen tegenover het virtuoos vertoon van techniek, b.v. waaraan menigeen zich nog steeds in de concertzalen vergaapt.

Alleen in de laatste jaren is de improvisatiekunst—zelfs aan onze conservatoria veronachtzaamd—weer gaan herleven en vinden in onze grote steden zo nu en dan wedstrijden plaats tussen prominente organisten. Gelijk de oude Grieken hun olympiades hadden waarbij eveneens zangers en lierspelers hun stemmen en instrumenten lieten horen waarbij ook hun muzikale en dichterlijke inventie op de proef werd gesteld, zo klinkt het niet ongerijmd, dat tijdens een festival de oude kunst van het improviseren in de vorm van een wedstrijd weer ten leven gewekt wordt.

In Frankrijk is deze kunst individueel onafgebroken blijven bestaan en men weet een grootste traditie daar leeft sinds da dagen van Cesar Frank, Guilmant, Widor, Vierne, Tournemire, Dupre en zijn leerlinge Jeanne Desmessieux. Ongetwijfeld doen de Fransen -na de tijd der Duitse culturele overheersingen- nu hun invloed hier gelden en zo hoort men op meerdere plaatsen in ons land de vrije fantasie, de orgelimprovisatie als een nieuw impuls van het muziekleven weer klinken. Het concert in de grote kerk te Haarlem was daarvan getuige. Een vijftal organisten w.o. drie buitenlanders (een Belg, een Zwitser en een Engelsman) en twee Nederlanders t.w Louis Toebosch, en Piet Kee hadden ieder gedurende een 20 minuten gelegenheid om op een drietal door de juryleden (J. Desmessieux, L. Daxsperger uit Linz en A van de Hoest) gegeven thema's te improviseren achtereenvolgens in een sonatevorm en een finale terwijl daartussenin enige ruimte was voor een zelf gekozen fantasie.

Over het algemeen verliep deze auditie vlot, indien wij de ouderwetse tractuur van het befaamde Haarlemse orgel (met zijn drie klavieren van slechts 51 toetsen tegen 56 normaal en 60 moeilijk hanteerbare registers) in aanmerking nemen. De Belg Paul Eraly muntte uit in een brillante finale, de Hollander Piet Kee door een speelse variatie op de Wilhelmus en Louis Toebosch door zijn bekende neiging tot meerstemmige verwikkelingen, een eigenschap onder oude muziek, die typisch Nederlands mag heten. Bovendien komt zij met de aard der orgelmuziek zodanig overeen, dat de kunst van Bach bv. zonder deze inslag ondenkbaar is. In dit gemiddelde slaagde Toebosch 't best van allen.

Toen dan ook geruime tijd na afloop van het concert in intieme kring de uitslag der jury werd bekend gemaakt, hoewel men had aangekondigd niets te verklappen voor de officiële ontvangst heden woensdag op het stadhuis van Haarlem, veranderde men en verwonderde men er zich niet over de wisseltulp te zien toegekend aan de organist-directeur der Bredase H. Sacramentskerk Louis Toebosch.
De tweede plaats werd toegekend aan Paul Eraly (gewezen discipel van FL Peeters) derde aan Piet Kee (zoon van Cor Kee), de vierde en vijfde plaats aan de Zwitserse organist Coragod en de Ertgelsman Lionel Dakers. Veel belangstellenden, meer van verre dan van dichtbij, woonden deze curieuze wedstrijd bij.

MARIUS MONNIKENDAM.

Bron: Limburgs Dagblad 5 juli 1951

Piet Kee: „Ik ben tegen eenzijdigheid"

Piet Kee in 1964

HAARLEM - 27 april 1956, Piet Kee is tien jaar jonger dan Albert de Klerk en won, De Klerk opvolgend en precies tien jaar later, ook de Prix d'Excellence. Hij zat op een terras aan de Grote Markt toen zijn benoeming in de raad een feit werd. Een Haarlems bloemenmeisje had hem juist een bloem opgespeld. „Het was wat je noemt mooi weer!"

Hij is nu achtentwintig jaar en is geen onbekende in onze stad en in de kerk, waar hij het Müllerorgel zal bespelen: winnaar van de Zilveren Tulp! In de woning van de heer De Klerk werd de nieuwe samenwerking onmiddellijk in daden omgezet: op 20 juli zal Albert de Klerk op het koororgel en het grote orgel van de Sint Laurenskerk in Alkmaar spelen als gastorganist in de reeks concerten, die Piet Kee van de laatste vrijdag in juni tot eerste in september in Alkmaar geeft: de Kaasmarktconcerten.

Verheven koekje
Nauwelijks hadden we de nieuwbenoemde gevraagd, waar hij was geboren, of hij deelde mede een stijve noorderling te zijn, tegelijkertijd met een verheven gezicht een koekje omhoog stekend zoals dat in advertenties pleegt te gebeuren; wij noteerden: Kee, Zaandam. Hij gaf in enkele korte zinnen een typering van de stand van zaken in Nederland op het gebied van orgelbespeling en deed dat in droge, bijna ambtelijke taal.

Dat men het Cavaillé Coll het romantische orgel noemt, en het Müllerorgel het barokke, bracht ons op een vergelijking tussen de twee organisten; en dat is altijd een hachelijke zaak. Niettemin, deze was het: het gesprek met De Klerk was er één in de wandelgangen, dat met Kee in de Tweede Kamer zelf. Piet Kee is zeer verlangend zijn werkzaamheden aan te vangen en bracht meteen ter sprake, dat hij hoopt geen vakantie te moeten nemen juist in de tijd, dat in Haarlem de Orgelacademie gaande is en de orgelwedstrijd gehouden wordt. Tot nu toe was dat namelijk gebruikelijk, maar de twee organisten waren het met elkaar eens, dat in die periode voor een organist in Haarlem juist het meest te beleven is.

Piet Kee ziet in zijn functie zeer veel mogelijkheden, maar evenals Albert de Klerk heeft hij geen bepaald programma. „Als ik eenmaal weet hoe de organisatie is, heb ik snel genoeg ideeën", zegt hij. Hij constateerde een grote opbloei van de belangstelling voor het orgel en is verheugd juist in deze tijd zich aan de taak van Haarlems stadsorganist te kunnen zetten. ,Er worden tegenwoordig orgels gebouwd, waar we twintig jaar geleden niet van durfden dromen", zegt hij. „Er wordt tegenwoordig ook veel en serieus gestudeerd, er zijn erg veel mogelijkheden". Uit het gesprek met Piet Kee kregen we de indruk, dat ook hij de zaken grondig wil gaan aanpakken: dat hij geen ‘makkelijk heer’ is, als we deze opmerking in de goede zin van het woord mogen gebruiken. Dat hadden we trouwens al gehoord uit kringen, waar hij platen laat opnemen. „Maar dat platen opnemen is ook een pijnbank", lacht De Klerk, die er zijn verbazing over uitspreekt, dat na spelen tot diep in de nacht er nog muziek op de plaat blijkt te staan! Tegen één tendens is Kee bij uitstek: de neiging tot eenzijdigheid, alsof er tussen Bach en nu geen orgelmuziek geschreven zou zijn. Misschien is dit dan een aanduiding voor het programma, dat hij nog niet heeft.

Haarlem's Dagblad | 1956 | 27 april 1956 | pagina 23

Afscheid van een legendarisch orgel

Door PAUL LUTTIKHUIS
HAARLEM – 24 juni 1989 Piet Kee speelt al 33 jaar op het orgel van de Haarlemse St. Bavo. Aanstaande dinsdag doet hij dat voor de laatste maal. Hoe kan iemand afscheid nemen van zo'n prachtig instrument? „Ik voel me niet aan één orgel gebonden."

Het is alsof het orgel voor Piet Kee, scheidend stadsorganist van Haarlem, een instrument is als alle andere. Hij praat nuchter over wat organisten graag aanduiden als 'de koningin der instrumenten'. Voor Kee is het orgel het instrument waarop hij zijn verhaal het best aan het publiek kwijt kan. Zijn vioolleraar adviseerde hem violist te worden, zijn pianoleraar voorspelde een succesvolle loopbaan als pianist, maar orgelspelen ging hem uiteindelijk het beste af.

Met dezelfde schijnbare nuchterheid legt hij de voor Nederland unieke, door organisten fel begeerde functie van Haarlemse stadsorganist neer. Een functie die Kee de artistieke verantwoordelijk geeft voor het orgel van de St. Bavo, een van de beroemdste ter wereld en een van de weinige kerkorgels die na de scheiding van kerk en staat in het bezit is gebleven van een stad. Piet Kee, 61 jaar, gaat met de vut, een voor collega's nauwelijks begrijpelijke beslissing. Hoe kan iemand afscheid nemen van zo'n prachtig instrument?

Kee: „Sinds 1956 ben ik stadsorganist, 33 jaar lijkt me lang genoeg. Ik wil mijn accenten verlegen. Ik heb een contract met platenmaatschappij Chandos voor een serie opnamen op Europese orgels en ik wil meer vrijheid hebben voor concerten in het buitenland. Ik voel me niet aan één orgel gebonden, ook op een middelmatig instrument kun je prachtig spelen."

Piet Kee kreeg zijn eerste orgellessen van zijn vader, de organist Cor Kee, en studeerde later bij Anton van der Horst aan het Amsterdamse Conservatorium. In 1953 kreeg hij de Prix d’ excellence, de hoogste examen-waardering, die tot dan toe alleen door Albert de Klerk was behaald. In datzelfde jaar won Kee het Haarlemse improvisatieconcours, ondanks zware concurrentie van de Oostenrijkse organist Anton HeiIer en van Karl Richter. Ook in de twee daarop volgende jaren was Kee winnaar in Haarlem, zodat hij als eerste de wisselprijs, de Zilveren Tulp, mocht behouden. Samen met Albert de Klerk, werd Piet Kee in 1956 benoemd tot stadsorganist van Haarlem. Sinds De Klerk vijf jaar geleden met pensioen ging, bekleedt hij de functie alleen. Behalve het organiseren en voor een deel zelf uitvoeren van de dinsdagavond concerten (van mei tot oktober), betekent dat ook af en toe een orgelbespeling voor gasten van de stad. Net als eeuwen geleden pronken de bestuurders nog graag met hun orgel.

Voor hij naar Haarlem vertrok was Kee organist van de Grote Kerk in Alkmaar. Kee: „Daar had ik de beschikking over twee prachtige orgels: een Schnitger en een laatgotisch orgel uit 1511, waarvan de klank nog helemaal de oude tijd ademt." Organisten spreken over het algemeen met veel kennis van zaken over hun instrument. Volgens Kee komt dat door de verscheidenheid: „Ieder orgel is anders, zowel in klank, als in omvang. Op veel orgels kan men onmogelijk Sweelinck spelen, met zijn robuuste stijl die kan klinken als een schilderij van Frans Hals. Dat stijlgevoel is voor een organist van groot belang, zeker nu er veel aandacht bestaat voor historisch verantwoorde uitvoeringen. Voor het orgelspel gaat het daarbij zowel om de aard van de uitvoering, als om de instrumenten en de manier waarop ze gerestaureerd worden. Daar is de laatste jaren verbetering in gekomen."

Het Bavo-orgel is in 1960 gerestaureerd. Dat gebeurde vakkundig, maar het instrument bezit nu een modern pedaal-klavier. In Alkmaar, waar de opknapbeurt niet zo lang geleden voltooid is, heeft het orgel oude klavieren terug gekregen. Vorm, lengte en diepgang van de toetsen zijn volgens Kee van belang voor de authentieke vingerzetting: „Het belangrijkste voor een organist is misschien wel een heldere articulatie, zeker in de oude muziek. Die oude vingerzettingen kunnen daarbij helpen. De middelvinger is de langste en daarom het uitgangspunt, de wijsvinger is sterk, de ringvinger en pink worden alleen gebruikt op niet geaccentueerde tonen, ze zijn zeer geschikt voor mooie, tere klanken. De zorg voor de juiste speelwijze heeft de oude muziek verlevendigd. Veertig jaar geleden klonk Bach afstandelijk en strak in het tempo, nu mag het allemaal veel emotioneler."

Over de stijlgevoeligheid van Nederlandse organisten is Piet Kee echter niet erg te spreken: „Er wordt op dit gebied nergens zozeer gebeunhaasd als in Nederland. Dat heeft volgens mij te maken met het orthodoxe calvinisme. Men mocht vroeger niet naar de bioscoop of naar het bal. De behoefte aan amusement werd uitgeleefd op het orgel en, thuis, op het harmonium. Roland Holst noemde het harmonium daarom 'de cirkelzaag des geloofs'. Conflicten met kerkelijke autoriteiten zijn voor organisten niet ongebruikelijk."

Aan het slot van zijn afscheidsconcert, dinsdagavond, zal Piet Kee een improvisatie spelen. Het improviseren is in de orgelstudie nog altijd een onderdeel van het programma. Kee: „Het orgel nodigt ertoe uit, omdat ieder instrument zo'n geheel eigen klank heeft. Maar vroeger was improviseren toch een vaardigheid van alle musici. De laatste jaren is het muziek maken steeds meer alleen op reproduceren gericht. Het leert je vrijer om te gaan met de oude muziek, waar eigen inbreng in de uitvoering heel gewoon was. Wat zou er niet mooier zijn dan pianisten die in een Mozart of Beethoven-concert hun cadens ter plekke verzonnen, zoals dat in die tijd gebruikelijk was."

Aan het begin van het concert dinsdagavond staat een eigen compositie van Piet Kee. Hij wil zich in de toekomst meer muziek gaan schrijven. Kee: „Voor mij is het afscheid geen grote overgang. Ik blijf spelen, maar zal alleen mijn werkzaamheden een beetje verleggen. Het is een modulatie naar een andere toonsoort, maar het stuk zelf gaat door." Afscheidsconcert van Piet Kee: dinsdag 27 juni om 20.15u in de St. Bavo te Haarlem.

Bron: NRC Handelsblad 24-06-1989


Orgelmuziek waait uit elke kerkdeur

Vader Cor en zoon Piet thuis aan de vleugel

1994 HAARLEM - Voor aanvang van het concert dat de Italiaan Walter Savant-Levet dinsdag gaf in de Grote of St Bavokerk in Haarlem, fluisterde een bezoeker tot zijn buurman dat hij het 'eigenlijk een vet aangekleed, brallerig, protserig patserorgel' vindt, het Christian Müllerorgel, het wereldbefaamde Müllerorgel, het volgens organist Piet Kee 'beroemdste en...
Lees verder...

Concert Haarlem voor Piet Kee
HAARLEM – Piet Kee vierde op 30 augustus zijn 85e verjaardag. Op dinsdagavond 11 september staat de Haarlemse organist en componist centraal tijdens een concert in de Bavokerk. Piet Kee, in 1927 als zoon van Cor Kee in Zaandam geboren, was van 1956 tot 1989 stadsorganist van Haarlem en in die hoedanigheid nauw betrokken bij de restauratie van het Müllerorgel van de Bavokerk. Ook was hij van 1952 tot 1986 organist van de Grote of Sint-Laurenskerk in Alkmaar.
Lees verder..

Allereerst musicus, dan pas organist
Piet Kee (80): Mijn doel is steeds geweest om het kerkorgel meer reliëf te geven
Decennialang stond Piet Kee internationaal bekend als een van meest invloedrijke organisten. Op het terrein van de barokmuziek en de Bachinterpretatie gold hij als expert. De laatste vijftien jaar houdt hij zich echter vooral bezig met componeren. Hij voelt zich dan ook allereerst musicus, pas in tweede instantie organist. Donderdag vierde hij zijn 80e verjaardag.
Lees verder...


Piet Kee speelt Sweelinck
Beluister het concert uit 1956 dat Piet Kee gaf op het orgel van de Grote Kerk in Alkmaar. Het betreft werken van J.P Sweelinck:

- Capriccio
- Echo-fantasie in d kl.t.
- Variaties over "onder de groene linde"


'Voor een orgelcultuur is meer nodig dan een indrukwekkend instrument'

Haerlem, juni 2013 - Verhalen en herinneringen rond het Haarlemse culturele leven zijn niet alleen maar te vinden in boeken en archieven. Soms kun je de geschiedenis ook nog uit de eerste hand horen. Bijvoorbeeld van organist en componist Piet Kee (1927). Frans Willem Lantink, voorzitter van onze vereniging sprak met de man die een halve eeuw Haarlemse orgelgeschiedenis belichaamt.

Interview: Frans Willem Lantink
Tekst: Willem van der Vlugt

De ontvangst in de woning van organist en componist Piet Kee aan de Nieuwe Gracht voert al gauw langs een bijzonder object: een waar kerkorgel maar dan op studeerkamerformaat. Op dit huisorgel zet Piet Kee direct de bekende akkoorden in van Toccata en Fugue van Bach. Indrukwekkend om de rijkdom van een kerkorgel te ervaren in de beslotenheid van een kamer. Plots vullen een paar onzuivere basnoten de ruimte. “Sorry, ik heb natuurlijk mijn orgelschoenen ook niet aan”, verontschuldigt Kee zich lachend als hij naar zijn voeten kijkt. Vervolgens zet hij snel een ander stuk in.

Haarlem maakt zich volgend jaar op voor alweer de 50e editie van het Internationaal Orgelfestival. Op initiatief van de Gemeente Haarlem werd dit festival in 1951 in het leven geroepen. Er bestond in die tijd veel belangstelling voor orgelmuziek, en Haarlem was bij uitstek de geschikte stad voor een orgelfestival. Hier stond namelijk in de Sint- Bavokerk het bekendste orgel ter wereld, het Müllerorgel. Hoogtepunt van het festival is al 50 jaar het improvisatieconcours dat zich afspeelt op dit wereldberoemde instrument. Piet Kee, winnaar van het concours in 1953, ‘54 en ‘55 was er al vanaf het begin bij. “Het orgelconcours was in die tijd iets heel opzienbarends; het was de eerste keer dat zoiets plaatsvond. Er was daardoor enorme belangstelling voor het concours en het trok ook internationaal veel aandacht”, vertelt Kee.

Een aanleiding tot de organisatie van het eerste improvisatieconcours waren de vele improvisatieconcerten. Na de oorlog werden die steeds populairder. Daarnaast wilde de gemeente Haarlem het beroemde Müllerorgel in de Sint-Bavokerk betrekken bij het Holland Festival, waar toonaangevende internationale podiumkunsten een plaats kregen. “Improviseren is iets waar het orgel een heel dankbaar instrument voor is, legt Kee uit. Het was dus goed dat Haarlem de orgelimprovisatiekunst op deze manier stimuleerde.”

Hoe kwam uw deelname aan het allereerste improvisatieconcours tot stand?
“Er deden vijf deelnemers mee, die werden uitgenodigd op basis van hun reputatie. Toen ik voor het eerst meedeed in 1951 was ik pas 23 jaar oud en had ik zojuist mijn Prix d’Excellence behaald aan het conservatorium. Dat is denk ik de reden geweest dat ik werd uitgenodigd.”


De Nederlander Louis Toebosch won de eerste editie van het concours in 1951. Kee werd zogezegd ‘goede tweede’. Het daaropvolgende jaar won de beroemde Anton Heiller uit Wenen, die veel indruk ‘Voor een orgelcultuur is meer nodig dan een indrukwekkend instrument’ maakte tijdens het concours. Het jaar daarna werd Kee voor de tweede keer uitgenodigd om deel te nemen. “Ze dachten: die wint het toch nooit van Heiller!”, zegt Kee. Niets bleek minder waar en Kee won het concours. De twee volgende edities won hij ook, waardoor hij de wisseltrofee – de Zilveren Tulp – voor altijd in zijn bezit kreeg.

Wat hield het improviseren op het orgel precies in bij dit concours?
“Je kreeg van de jury een hele precieze opdracht mee. Er werd een improvisatie in een sonatevorm gevraagd. De organisatie van het festival bedacht dan bij elk deel van die sonate een thema. We kregen die thema’s vlak voor aanvang van het concours te horen en hadden dan een uur de tijd om ons voor te bereiden, waarvan we de laatste 15 minuten een piano mochten gebruiken. Je bedacht dus eventjes van tevoren wat je ongeveer ging doen, en dan improviseerde je daarna simpelweg zo mooi als het kon.”


Zoals blijkt uit de improvisatieopdracht, werd de klassieke muziek destijds nog gedomineerd door symfonieën. Als je echt goed kon improviseren moest je volgens Kee een hele symfonie kunnen improviseren. Het muzikale stramien van de sonate was in deze tijd nog zo vanzelfsprekend dat je daar je improvisatie op bouwde. Orgelimprovisatie heeft zich in de loop der tijd steeds verder ontwikkeld. Vandaag de dag, in een tijd van postmodernisme waarin alles mogelijk is, kun je de meest uiteenlopende stijlen en technieken verwachten.

In welk opzicht is de kunst van het improviseren veranderd?
“Het is nu allemaal veel vrijer. Nu wordt er bijvoorbeeld bij het concours - in plaats van de thema’s bij de verschillende delen van de sonates - ongestructureerd een rij tonen opgegeven. Daar moet je als improvisator dan maar mooie muziek van maken en dat kan soms tot verrassende resultaten leiden. Daarbij vergeleken zaten wij enorm gedwongen in die sonatevorm.” Ondanks alle veranderingen is de improvisatie volgens Kee nog steeds heel belangrijk in de muziek: “Ik zie improviseren als een soort schetsmatige compositie. Je kan tijdens de uitvoering echt overdenken: ik ga het zo en zo doen. Improvisatie kan het levendige aspect hebben dat een uitgewerkte compositie niet heeft.”

Het winnen van het concours heeft voor Kee vele deuren geopend. Zo werd hij in 1956 stadsorganist van Haarlem en mocht daardoor spelen op naar eigen zeggen “het bekendste orgel ter wereld.” Of het ook het beste orgel ter wereld is durft Kee niet te zeggen: “Het is net als in een berglandschap; als je op de ene top staat dan zie je dat een andere top toch mooier is. Maar het is zeker één van de beste!” Naast zijn werkzaamheden als stadsorganist gaf Kee vele concerten in Europa, Amerika, Australië en Azië en was hij docent orgel aan het Conservatorium van Amsterdam. Later in zijn carrière heeft Kee zich ontwikkeld tot componist, wat nog steeds het belangrijkste deel van zijn muzikale werk is. Zijn composities komen grotendeels voort uit de beheersing van de improvisatiekunst op het orgel. Hij gebruikt dit instrument dan ook nog steeds het meest om zijn muziekstukken te creëren. De winst van het improvisatieconcours is dus zeker van invloed geweest op zijn carrière.

In de loop naar de 50e editie van het Internationaal Orgelfestival in Haarlem is Kee dus het levende bewijs dat het improvisatieconcours veel teweeg kan brengen.

Is de aandacht voor het concours nog even groot als toen u deelnam?
“Ik merk dat die aandacht wel is teruggelopen. In mijn tijd werd het concours zelfs nog live uitgezonden en werden we in de pauzes direct geïnterviewd. Dat is nu een stuk minder”, zegt Kee. Ondanks de teruggelopen aandacht voor het festival blijft Haarlem nog steeds de nummer één orgelstad van Nederland. Dit is vooral te merken aan de toestroom van publiek naar orgelconcerten en de belangstelling voor de orgels. Dit is een mentaliteit die over de jaren in de stad is ontstaan en waar het orgelfestival aan bij heeft gedragen. Het heeft volgens Kee niet alleen te maken met de aanwezigheid van het wereldberoemde Müllerorgel in Haarlem. “Kijk bijvoorbeeld naar Amsterdam. De Nieuwe Kerk bezit een prachtig mooi orgel. Toch is er daar beslist geen orgelcultuur. Daar is blijkbaar meer voor nodig dan alleen een indrukwekkend instrument.”

Waarom is de 50e editie van het orgelfestival een bezoek waard?
“De Sint-Bavokerk in Haarlem - waar het Müllerorgel staat - is eigenlijk te groot om je te realiseren dat er mensen zijn die er nog nooit binnen waren. Ik meen zelfs dat de helft van de Haarlemmers de kerk nog nooit van binnen heeft gezien. Dat vind ik erg jammer. Het orgelfestival is een prachtige manier om de kerk en de orgelkunst eens van dichtbij te ervaren.”


Piet Kee op Youtube In 1979 bracht Kee een serie bijzondere ‘Confrontaties’ tot stand. Na een zorgvuldige selectie koos hij verschillende straatorgels die hij gelijktijdig tot klinken bracht met het Müller-orgel in de Grote of St. Bavokerk. Deze voor de orgelwereld bijzondere gebeurtenis is te zien op internet. Kijk op Youtube onder ‘Integratie Piet Kee’, en u vindt vanzelf de vijfdelige documentaire.

 Bron: Historische Vereniging Haerlem juni 2013

Schrijf een commentaar: (Klik hier)

123website.nl
Tekens over: 160
OK Verzenden.

Arno Frissen, Bijvoet 9 Brunssum | Antwoord 20.05.2014 22.00

Orgelimprovisatie is een prachtige kunstvorm om uiting te geven van je gevoel als organist op "dat "moment". Ikzelf ben ook beroepsmusicus (organist, pianist) .

Comotto Angelo | Antwoord 03.09.2013 14.01

Looking for sheet/notes of Psalm and preludia from Cor Kee for organ: can you help me? I'm Angelo comotto, organist, italy, email angildv@libero.i

Bekijk alle commentaren

Nieuwe commentaren

05.09 | 20:54

Mooie en informatieve tekst

...
03.01 | 14:15

Mooi om (toevallig eigenlijk) hier te komen 20 jaar na het overlijden van Cor Kee.

...
18.02 | 14:09

Zet deze video erbij:
https://www.youtube.com/watch?v=oTsDgY6CqEM.
Kee's muziek klinkt aanzienlijk beter op een fraaie Witte
dan op een electronicum.

...
22.01 | 00:56

Wat een tijd. de vijftige jaren. Wat heeft mijn Opa daar vaak over vertelt, dat hij naar de samenkomsten ging van Hermann Zeiss. Wat een beleving.......

...
Je vindt deze pagina leuk