Improvisatieconcerten

Herleefde orgelkunst in de hoofdstad

(Annonce)

Men schrijft ons uit Amsterdam: ln Amsterdam schijnt de orgelkunst te herleven. Verschillende feiten wijzen er op, dat men deze maanden weer gaat beseffen dat Amsterdam kan bogen kan op een groot aantal orgels die tot de mooiste van het land gerekend worden.

Maar deze koninklijke instrumenten, deze kerkorkesten, zijn er ook om bespeeld te worden. Niet alleen tijdens de kerkdiensten, maar ook buiten de gewijde uren; tijdens concerten voor welke uit de onmetelijk brede orgelliteratuur een keuze gemaakt kan worden. Het is verheugend dat de gemeentelijke, kosteloze orgelbespelingen weer gearrangeerd zullen worden en dat de Amsterdamse bevolking deze muzikale genietingen zal kunnen meemaken.


Er zijn deze maanden zelfs enige zeer originele kerkconcerten geweest, de verslaggever van het Nieuwsblad heeft er enkele bijgewoond en den indruk gekregen, dat het initiatief hulde verdient. Wat doet bij voorbeeld de Amsterdamse organist Cor Kee? Welnu, Cor Kee, hij geniet onder de Amsterdamse organisten een uitstekende reputatie, heeft een serie concerten in de Lutherse Kerk ontworpen, waar het heel genoeglijk toegaat. Er worden geen programma's gedrukt, niemand weet van tevoren, welke stukken gespeeld worden. Cor Kee gaat dan voor aanvang van het concert te midden van het publiek staan en vertelt op bondige, interessante toon, welke werken hij denkt te gaan uitvoeren en tevens deelt hij het auditorium bijzonderheden over deze composities mede.

Het spreekt bijna vanzelf dat hij, voor één noot gespeeld te hebben, het contact met zijn publiek reeds volledig tot stand heeft gebracht. Na een of twee werken spreekt hij het publiek weer toe en speelt dan het volgende orgelwerk. Deze orgelbespelingen dan worden meestal besloten met een improvisatie op een bepaald melodisch gegeven, en ook omtrent deze improvisatie vertelt Cor Kee, op welke manier zij zo ongeveer tot stand zal komen.

Aan deze Kee-concerten is maar één bezwaar verbonden en dat is de niet geheel bijkomstige omstandigheid dat de improvisatiekunst van Cor Kee maar matig belangwekkend is. Men hoorde, om eens een voorbeeld te noemen, de Choralfantasie van Flor Peeters en vervolgens een improvisatie in variatie-vorm van Cor Kee en deze was kortweg vervelend en onhandig. Maar er komen ook nog andere organisten die deze concerten op dezelfde manier zullen geven. Onder andere Stam uit Leeuwarden en Jacob Bijster uit Haarlem en wellicht zal dit onderdeel van het programma dan beter worden verzorgd.

Bron: Rotterdams Nieuwsblad 1939-06-20 

Improvisatieconcert te Leeuwarden (1)

Het Christian Müller-orgel uit 1727 in de Grote Kerk te Leeuwarden. Foto: Bouwe Brouwer

Een medewerker voor muziek schrijft ons: Na Utrecht is Leeuwarden de tweede stad, waar een Improvisatieconcert werd georganiseerd dat met een verrassend goede uitslag bekroond is. Een beetje spijtig alleen, dat bij de vier improvisatoren, Jacob Bijster. Cor Kee, George Stam en Cor Bute, geen Fries was. Wij menen dat dit wel mogelijk was geweest. Intussen kunnen wij er erkentelijk voor zijn, dat een van deze improvisatoren, George Stam, in de Friese hoofdstad gevestigd is.

Voor dit Improvisatieconcert, dat in de Grote Kerk gegeven werd, bestond veel belangstelling. Ook van elders waren tal van belangstellenden komen opdagen. Uiteraard waren vele organisten aanwezig. Wij zagen zelfs enkele bekende figuren uit Groningen. Utrecht en Arnhem. Dr Joh. Wagenaar zette dit concert met zijn tegenwoordigheid niet weinig luister bij. Lang te voren was bij loting uitgemaakt in welke vorm de vier organisaties zouden improviseren. Zo kreeg Jacob Bijster de Passacaglia, Cor Kee de hoofd (Sonate) vorm, George Slam de Variaties en Cor Bute het Preludium en Fuga. De thema's hiervoor waren van dr Johan Wagenaar. Wagenaar gaf ook de koralen op die elk der vier organisten met voor- en naspel ten gehore moest brengen. Dit laatste hebben de genoemde organisten nogal vrij opgevat. Cor Kee en George Stam betrachtten de nodige strengheid. Mede daardoor wordt juist met het koraal een hoogtepunt bereikt.

George Stam was zo gelukkig op zijn eigen instrument te kunnen spelen en had daardoor een bevoorrechte positie. Wel werd deze bevoorrechting min of meer opgeheven doordat hij zelf registreerde, maar hij bleef toch een voorsprong op de anderen enigszins behouden. Uit muzikaal oogpunt heeft Stam ons met zijn improvisatie het meest doen genieten. Zijn aandeel hebben wij met klimmende belangstelling gevolgd. In vormbeheersing gaven Jacob Bijster en Cor Bute elkaar niets toe. Voor de wijze, waarop de één een Passacaglia en de ander een Preludium en Fuga opbouwde, hebben wij niets dan lof. Cor Kee leek in het begin minder goed op dreef. Langzamerhand scheen hij er echter meer in te komen. Prachtige fragmenten liet hij horen, waarin hij op verrassende wijze van de beide thema's gebruik wist te maken. Over het geheel een bijzonder knappe prestatie.

Bron: Het Vaderland 26-04-1939

Improvisatieconcert te Leeuwarden (2)

Een muzikale gebeurtenis van de eerste rang, dat was het improvisatieconcert in de Grote Kerk te Leeuwarden, gisteravond! Het was het tweede improvisatieconcert, dat in ons land gehouden werd. Een Leeuwarder commissie had zich hiervoor ingespannen en dr. Johan Wagenaar, de nestor der Nederlandsche componisten, bereid gevonden de themata te schrijven. De belangstelling voor dit evenement was zeer bevredigend.

Voor de aanvang beklom ds. Wagenaar de preekstoel voor het doen van enkele mededelingen. Daarna speelden de organisten Jacob Bijster te Haarlem, Cor Kee te Zaandam, George Stam te Leeuwarden en Cor Bute te Zutphen vooraf het enkele thema zonder meer, zodat de hoorders die de themata op schrift voor zich hadden de opgave an sich konden horen en gemakkelijker in staat waren na te gaan, hoe de organist het thema verder uitwerkte. Het was hoogst interessant deze vier organisten te volgen in hun fantasieën. Zulk een concert dwingt tot concentratie en scherp luisteren!

De heer Bijster viel de weinig benijdenswaardige taak ten deel, als eerste het vreemde orgel te moeten bespelen. Zijn opgave was het spelen van een passacaglia. Een heel simpel gegeven, doch desondanks bracht Bijster dit thema tot een geleidelijke ontwikkeling, die zeer kon boeien. Met bonte verscheidenheid volgden de thema's elkander op, en de techniek van dit orgelspel viel steeds te loven. Cor Kee speelde als thema een hoofdvorm. Ook zijn prestatie was zeer knap.

George Stam speelde een thema met variaties. Dit was wel het kleurigste spel, dat wij hoorden. Minder knap dan Kee wellicht, ook minder groots in zijn contrasten dan het spel van de blinde Bute, was het toch wel stralend van licht en zonnig van gedachte. Bute kreeg opgegeven een preludium en fuga; het eerste was uitgedrukt in acht en het tweede in vijf noten. Maar wat de organist met die paar noten deed, welke bovenbouw hij toverde op deze enkele notenzuilen, was werkelijk bewonderenswaardig! Alles klonk hier vrij wat minder liefelijk dan bij Stam, maar daarentegen voelde men voortdurend de spanwijdte van een bewogen en bloeiende fantasie, als weinigen bezitten. Scherpe, harde accoorden sprongen achter elkander aan en steeds weer was daar de deinende onderstroom van het oorspronkelijke thema. Het was in hoge mate boeiend naar het spel van de blinde meester te luisteren.

leder der vier organisten gaf na de uitvoering van zijn opdracht een eigen bewerking van een psalmkoraal. Zo hoorden we achtereenvolgens bewerkingen van de psalmen 138, 100, 91 en 99. Tot besluit melden we nog, dat dr. Johan Wagenaar het concert heeft bijgewoond.

Bron: Nieuwsblad van het Noorden 26-04-1939

Improvisatieconcert te Leeuwarden (3)

Oud-nieuw-oud-nieuw. Dit is de altijd zich herhalende gang. Het oude, dat nieuw wordt en het nieuwe, dat altijd weer verouderen zal. Deze eeuwigdurende cirkelgang voltrekt zich in het leven der mensheid. Zij voltrekt zich ook in het rijk der natuur. En in het rijk der kunst is de toestand al niet veel anders. Ook hier blijft het een voortdurende wisseling van oud en nieuw, nieuw en oud.

De kunst van het improviseren, die vóór twee eeuwen in Johann Sebastian Bach haar hoogste triomfen vierde, zien wij na perioden van verval, bij tussenpozen, telkens als iets betrekkelijk nieuws weer naar voren komen.

Bach, die in zijn jonge jaren dikwijls in vervoering was gekomen door de meesterlijke improviseerkunst van de oude Hamburger organist Jan Reinken, ondernam in 1722 naar hem een pelgrimstocht. Maar nu nam Bach aan het toetsenbord plaats. En in tegenwoordigheid van de stokoude Reinken, improviseerde Bach gedurende bijna een uur over de melodie van het koraal: „Super flumina Babylonis".

Ontroerd omhelsde de grijsaard Bach en stamelde de profetische woorden: „Ik meende dat mijn improvisatiekunst met mij zou sterven, maar nu weet ik, dat zij door U zal blijven voortleven."

Zij is ook na Bach in ere gebleven, zij het dan sporadisch. Na Bach is de kunst van het improviseren verwaarloosd. Werkelijk uitnemende improvisatoren kwamen steeds zeldzamer voor. Naarmate de instrumentalisten zich meer specialiseerden takelde de improvisatiekunst hoe langer hoe meer af.

Dit proces werd nog in de hand gewerkt doordat de scheidingslijn tussen scheppende en herscheppende kunstenaars steeds scherper werd doorgetrokken. In vroegere tijden toch was het bijna regel dat elk herscheppend kunstenaar ook een scheppend kunstenaar was.

In de laatste jaren is het vooral de Franse organist Marcel Dupré geweest, die het improviseren in aanzien deed rijzen. En daarvoor was het vooral Camille Saint-Saëns, die de verwaarloosde improvisatiekunst op briljante wijze propageerde.

In ons land sluimerde de kunst van het improviseren lange tijd. Elk goed organist improviseert weliswaar bij de kerkdiensten, maar dat is toch iets anders. De organisten kunnen dan zelf thema en vorm kiezen en hieraan worden uiteraard andere eisen gesteld.

In de laatste jaren hebben vooral Hendrik Andriessen en Cor Bute bewezen zeer begaafde improvisatoren te zijn. Ten onzent hebben George Stam en R. Beintema als zodanig een loffelijke staat van dienst.

Jacob Bijster opende gisteravond het improvisatieconcert in de Grote Kerk te Leeuwarden. Voor hem was dit geen voorrecht! Op een vreemd orgel het eerst van wal te moeten steken met een improvisatie over een weinig dankbaar thema en vorm (Passacaglia) is niet benijdenswaard. Na een breed begin, wij schrokken haast van de onzuivere stemming, was het nog een te veel zoeken en tasten. Het ging wat opvallend voorzichtig en schools. Prompt volgden achter elkaar achtsten, triolen en zestienden. Boeiend was het nog niet. De registratie was ook niet bijzonder gelukkig.

Later toen neven-thema's duidelijker naar voren kwamen en Bijster blijkbaar zich op het vreemde instrument meer thuis voelde, werd het geheel beter. Wij kregen nu een climax, die klonk als een klok. Briljante akkoord-golvingen ruisten door de gewelven. Wij meenden, dat op imposante wijze de, in menig opzicht, bijzonder knappe improvisatie zou eindigen. Bijster bedacht zich en wij hoorden een berustend en ingetogen slot.

Jacob Bijster's interpretatie van Psalm 138 geeft weinig aanleiding tot bespreking. Wij hoorden een nogal vrij bewerkt koraalvoorspel, maar het koraal zelf bleef in de pen!

Cor Kee begon, nadat hij eenstemmig de beide thema's had laten horen, zijn improvisatie (hoofdvorm) druk en beweeglijk. Die sterk gespeelde achtste-figuren lieten zich wat al te veel gelden. Wij werden eerst geboeid, toen een piano-gedeelte intrad en het muzikale daarin ons trof. Niet minder werden wij geboeid, toen Kee de twee gegeven thema's contrapuntisch ging bewerken. Dat was niet alleen knap, maar ook mooi.

Een vreemden indruk maakte het, dat Cor Kee geen enkele maal de harmonisaties van Wagenaar liet horen. Ook al zou men het met deze wijze van harmoniseren niet geheel eens zijn, dan nog moest men uit piëteit voor de nestor onzer componisten, zo iets nist nalaten.

Prachtig in stijl was Kee's bewerking van de melodie van Psalm 100. Nu hoorden wij op sublieme wijze een wondermooie koraalmelodie. Nu hoorden wij hoe intens schoon een simpele koraalmelodie, mits streng uitgevoerd, kan zijn.

Alsof hij naar een feest ging, zo fleurig toog George Stam, in zijn eentje naar de orgelzolder. Hoe het hem gegaan is weet ik niet, maar voor ons is zijn binnentreden in een wereld van klanken een feest van melodie, ritme en kleur geworden.

Zeker, wij weten héél goed, dat Stam bij dit improvisatieconcert in de gunstigste positie verkeerde. Een orgel, dat voor hem geen geheimen meer kent en een opdracht, die dankbaar is en toevalligerwijs in zijn lijn ligt. Daar staat tegenover, dat hij zelf moest (wilde!) registreren. Hierover denke men niet al te licht. Voor een organist, die aan goede hulp gewend is, kan zo iets een hele handicap zijn.

Hoe het ook zij, vast staat, dat zijn Improvisatie (thema met variaties) in artistiek opzicht het hoogst aangeslagen moet worden. Het was, van het begin tot het einde, een onverdeeld genot hiernaar te luisteren.

Stam's koraal-bewerking (Psalm 91) viel zeer te prijzen, maar stond als geheel niet op eenzelfde peil. Een ongetwijfeld knappe prestatie, maar niet altijd even boeiend en belangrijk.

Cor Bute was het langst aan het woord, maar gehéél voldaan heeft hij ons niet. Zijn Preludium was niet bepaald een streling voor het oor! Dat behoeft ook niet altijd, maar Bute maakte het nu wel een beetje al te bont. Zulke harde en scherpe accoorden staan spoedig tegen; deden mij al te veel aan Hindemith- en Strawinky-imitaties denken.

In de buitengewoon knap geconstrueerde Fuga hoorden wij aanvankelijk meer de improvisator zelf. Later dwaalden wij weer wat af. Intussen hebben wij het meeste respect voor de opmerkelijke gaven van dezen grote organist. Bute kennen wij sedert vele jaren als een hoogbegaafd kunstenaar.

Hiervan gaf hij ruimschoots blijk èn in zijn Preludium en Fuga èn in zijn koraalbewerking (Psalm S 9). Als improvisator neemt hij niet alleen een der oudste, maar ook een der eerste plaatsen in.

Hoewel ons niet alles even sterk boeide en hoewel wij menen, dat een dergelijk concert meer interessant dan belangrijk is, zijn wij de commissie er zeer erkentelijk voor, dat zij dit improvisatieconcert mogelijk heeft gemaakt. De Groote Kerk was voor het grootste deel gevuld. Wij hebben nog nimmer zoveel organisten, van heinde en verre bij elkaar gezien. Zij waren niet alleen van uit de meest afgelegen plaatsen in Friesland gekomen, maar wij zagen ook enkele bekende gezichten uit Utrecht, Zwolle en Groningen. Het meest verheugde ons nog de aanwezigheid van dr. Joh. Wagenaar. Zoiets moeten wij in de annalen van onze stad en ons gewest met een extra-kruisje aantekenen.

Leeuwarder courant 25-04-1939

Amsterdamsche Orgelconcerten

Cor Kee in 1938

Uit het Hollandse muziekleven.

Dat het muziekseizoen, óók de zogenaamde zomercampagne, voor de hoofdstad thans definitief ten einde is, heb ik U reeds in mijn vorige muziekbrief geschreven. Inderdaad, de concertzalen zijn gesloten, de vacantiegeest is vaardig zowel over concertgevers als concertnemers en niet vóór de septembermaand zal er in dien toestand verandering komen.

Amsterdam is dus geheel van muziek verstoken, zo schijnt het. Toch is dat in werkelijkheid geenszins het geval. Want daar is nog een genre der publieke muziekbeoefening waarin men geen „seizoen" kent, dat in het hoofdstedelijk concertleven niet op den voorgrond treedt en dat niettemin van zeer veel muzikaal belang genoemd mag worden. Ik bedoel het genre der orgelconcerten in de vele kerken die onze goede stad telt. Als gezegd, het is geen concertvorm welke zich te midden van de vele uitvoeringen op allerlei muzikaal terrein bijzonder opdringt. Dat zou weinig in overeenstemming zijn met de geest van deze kerkelijke concerten, het zou ook met de aard van hun publiek kwalijk overeenkomen.

Kerkconcerten zijn er in onze stad doorlopend, in de winter zowel als in de zomer, zij vormen een weliswaar bescheiden, maar daarom niet minder integrerend deel van het stedelijk muziekleven. Zij hebben hun eigen publiek van ingetogen muziekliefhebbers voor wie het enkele uur, orgelconcerten plegen niet lang te duren, van wijding en rust in 't stille kerkgebouw doorgebracht zeker kan opwegen tegen het zoveel mondainer concertbezoek. Het zijn, zoveel is zeker, niet de minsten onder de amateurs, die dergelijke concerten bezoeken en die de machtige orgelkunst van een Johann Sebastian Bach of een George Frederic Handel (om nu maar de twee grootsten onder de orgelmeesters te noemen) op zich laten inwerken, gezeten in de tot stillen aandacht dwingende kerkruimte. Zij behoeven ook weinig of geen speciale publiciteit, deze kerkconcerten, in de bladen leest men er zelden "over, maar dat is ook niet nodig. Des te groter en inniger is het muzikaal genot dat hier geboden wordt en waarvan velen, die toch met belangstelling het hoofdstedelijk muziekleven volgen, eigenlijk geen denkbeeld hebben.


LOU VAN STRIEN
Wanneer ik dan ook in deze muziekbrief uw aandacht vraag voor de Amsterdamse kerkconcerten, dan komt dat omdat die manifestaties in deze zomer een ongekende uitbreiding en omvang hebben aangenomen. Dat vindt zijn oorzaak ten dele in een heel prozaïsche en met muzikale zaken niets uitstaande hebbende aanleiding. Onze Indische lezers zullen ongetwijfeld in de kolommen van ‘De Sumatra Post’ wel het een en ander hebben gelezen betreffende de pogingen, die er op dit ogenblik worden aangewend om de Oude Kerk, Amsterdams oudste bedehuis, door een degelijke restauratie voor een dreigende ondergang te behoeden. Het spreekt wel vanzelf, dat bij de propaganda voor dat mooie doel ook het orgel van de Oude Kerk ter sprake komt, het prachtige, vroeg-achttiende-eeuwse instrument, dat ongetwijfeld tot de mooiste gerekend moet worden van onze stad. Dat orgel te behouden, zou reeds motief genoeg zijn voor een intensieve steunactie ten bate van de Oude Kerk. Maar er is nog een ander, wellicht klemmender reden waarom juist dit oude bedehuis aan het Oude Kerksplein de Amsterdammer bijzonder dierbaar moet zijn. Want in dit kerkgebouw heeft Jan Pieterszoon Sweelinck, onze grote orgelmeester, lange jaren zijn kunst beoefend en van hieruit is de roem van de universele kunstenaar over Europa gegaan. Meer dan veertig jaar, van 1581 tot aan zijn dood, in 1621, heeft de ‘orgelistenmaker’ zoals men de kunstenaar noemde, gedachtig aan zijn vele beroemde leerlingen, in de Oude Kerk op de orgelbank gezeten. Hij ligt hier begraven en het is, alsof er nog iets van den roem en de glorie van zijn machtig spel achterbleef in de gewelven van het oude kerkgebouw. De Oude Kerk was in Sweelinck's tijd en nog lang daarna een centrum van muziekbeoefening, een bolwerk van culturele kracht en het is goed dat men zich in onze dagen op dat feit bezint nu het Oude Kerkgebouw, indien er niet spoedig en afdoende ingegrepen wordt, aan het verval zou worden prijsgegeven. Hoe zou men de propaganda voor die restauratie beter en passender kunnen voeren dan door het organiseren van een reeks orgelconcerten? Zij staan thans in het centrum van de zomerse orgelbespelingen in de hoofdstad.

Reeds in juni van dit jaar is men met deze concerten begonnen, tot op heden worden ze nog regelmatig voortgezet. De Nederlandsche Bachvereniging opende de rij door op 21 juni een orgelconcert te organiseren, waarop haar leider Anthon van der Horst met de bekenden zanger Georg Walter als solist een uitvoering gaf van werken der familie Bach, Johann Sebastian en zijn drie zonen. En op deze openingsavond is dan een serie bespelingen gevolgd van de organist Feike Asma, die naast oudere werken ook de nieuwere meesters der orgelliteratuur, Guilmant, Widor, Vierne, Dupré, een plaats in zijn programma's gunt. Er is verheugend veel belangstelling voor deze vrijdagavondconcerten en die aandacht is welverdiend.

Ook in augustus zal Asma zijn concerten voortzetten en reeds nu is ons tegen september het bezoek van de bekenden Vlaamse orgelkunstenaar Flor Peeters beloofd. Dat deze orgelbespelingen in een werkelijke behoefte voorzien, is met dat alles wel overtuigend bewezen! Staan uiteraard der zaak de orgelbespelingen in de Oude Kerk in het centrum der zomerse kerkconcerten — daarnaast wordt in menig ander bedehuis de kunst der „koningin der instrumenten" beoefend. Daar zijn, om maar iets te noemen, de uitvoeringen in de Lutherse Kerk aan het Spui waar Cor Kee regelmatig zijn ‘Avondorgelspel’ laat horen en zulks met voortreffelijke programma's, waarop een vrije improvisatie niet de geringste attractie vormt. Ook in deze concertenserie treden wel gastorganisten op: zo speelden op 20 en 21 dezer Jacob Bijster uit Haarlem en George Stam uit Leeuwarden voor een aandachtig luisterend gehoor.

Vermelding verdienen ook de dinsdagavondconcerten, die Piet van Egmond, tevens organist van het Concertgebouw, geeft op het orgel van de Hersteld Evangelisch Lutherse Gemeente. En men heeft ook in het kerkgebouw aan de Kloveniersburgwal niet te klagen over gebrek aan belangstelling en waardering voor het gebodene. Men ziet wel, al is het zomer en al zijn de concertzalen gesloten, daarom wordt er in de hoofdstad nog wel muzikaal genot geboden. De waarde van deze zo bij uitstek intieme concerten, intiem hier in de zin van verdiept en onvertroebeld, zal niet licht overschat kunnen worden. Zij betekenen voor tallozen in deze spannende en ongewisse dagen een lafenis en troost, zij brengen een kunst, waarbij 't goed is te verwijlen. Wat de Oude Kerk aangaat, zij helpen krachtig mede om een der eerbiedwaardigste monumenten die de hoofdstad telt te behouden. Dat feit alléén zou voor deze manifestaties reeds voldoende en afdoende aanbeveling mogen heten!

 


Bron: De Sumatra Post 19-08-1939

Schrijf een commentaar: (Klik hier)

123website.nl
Tekens over: 160
OK Verzenden.
Bekijk alle commentaren

Nieuwe commentaren

05.09 | 20:54

Mooie en informatieve tekst

...
03.01 | 14:15

Mooi om (toevallig eigenlijk) hier te komen 20 jaar na het overlijden van Cor Kee.

...
18.02 | 14:09

Zet deze video erbij:
https://www.youtube.com/watch?v=oTsDgY6CqEM.
Kee's muziek klinkt aanzienlijk beter op een fraaie Witte
dan op een electronicum.

...
22.01 | 00:56

Wat een tijd. de vijftige jaren. Wat heeft mijn Opa daar vaak over vertelt, dat hij naar de samenkomsten ging van Hermann Zeiss. Wat een beleving.......

...
Je vindt deze pagina leuk