De Psalmen voor orgel

Psalmen voor Orgel

Cor Kee. Psalmen voor Orgel. Den 34sten, 5den, 141sten, 91sten, 61sten en 103den Psalm. G. Alsbach & Co., Amsterdam.

Uit eigen ervaring weet ik dat Cor Kee gerangschikt moet worden tot de groep van jonge vooraanstaande organisten. Hij is een goed onderlegd organist, die zijn taak ernstig opvat en ook als improvisator van zich heeft laten spreken.

Als componist was tot dusverre Cor Kee voor ons een gesloten boek. Dit is nu, dank zij de ons ter bespreking toegezonden Psalmen, anders geworden. Wij hebben nu kennis gemaakt met Cor Kee als componist. En nu spijt het ons te moeten zeggen, dat deze kennismaking niet bepaald meevalt.

In al deze Psalmbewerkingen missen wij te veel het muzikale element. Muzikale voldoening geven deze bewerkingen ons in te beperkte mate. Van enige werkelijke inspiratie is weinig merkbaar. Het, geheel zou men als improvisaties beter kunnen aanvaarden. Dan kan van bezonken en rijpoverwogen arbeid zelden sprake zijn. Aan composities, die in druk verschijnen, mag men deze eisen zeker stellen.

Als wij deze Psalmbewerkingen nader onder de loupe nemen, dan valt ons reeds dadelijk bij de 34ste Psalm een zekere schoolsheid op. Al die toonladder-figuren, soms in tertsen en octaven, zeggen ons weinig, hebben met werkelijke muzikaliteit weinig te maken.

De Canon-bewerking van de 5de Psalm is wat droog uitgevallen, zegt ons tenminste niet zo veel. Wij erkennen, dat het niet zo gemakkelijk is in deze vorm iets boeiends tot stand te brengen, maar toch zijn wij van oordeel, dat het mogelijk is ook op deze manier iets te componeren, dat meer boeit en meer afwisselend is.

De bewerkingen van Psalm 141, 91 en 61 zijn in verschillend opzicht wat meer afwisselend en kunnen ons althans meer boeien.

Het dankbaarste lijkt ons de bewerking van Psalm 103. Dit is mede te wijten aan de meer vrije wijze van bewerken. Deze bewerking doet het wel. Jammer alleen dat het ritme, een gepunteerde achtste met een zestiende, wat al te strak is volgehouden. Daardoor krijgt het geheel een karakter wat met de geest van dezen Psalm niet altijd overeenkomt.

WILLEM ZONDERLAND.

Bron: Caecilia en De muziek jaargang 96 no 11 (1939)

Van meet af aan hebben melodieën van Psalmen, Gezangen en andere Geestelijke Liederen centraal gestaan in het componeren van Cor Kee. Enerzijds houdt dat verband met de wijze waarop hij in hart en nieren de Eredienst als organist diende. Anderzijds sloot hij hiermede aan bij de traditie die door zijn leermeester Jan Zwart was ingezet: het componeren van koraalgebonden muziek als handreiking aan de organist en tevens als een manier om de mensen bij de schoonheid van het orgel te betrekken.

33ste Psalm
Kee's vroegste werken zijn geschreven in een laat romantisch idioom. Het idioom verraadt een veelvuldige omgang met en een diepgaande bewondering voor het werk van de Franse Symphonici, met name Widor en Guilmant. De respectievelijke vitaliteit en lyriek van deze meesters treffen we bijvoorbeeld aan in de briljante Toccata over de 33ste Psalm, en in de meer bedachtzaam lyrische beschouwing over Psalm 84. In de jaren dertig verbreedde de horizon zich echter aanmerkelijk. Op velerlei terreinen deden nieuwe impulsen zich gelden. De herontdekking van oudere orgelmuziek drong door, de orgelbouw zette de eerste voorzichtige schreden op de weg naar een totale heroriëntatie.

Bij Cor Kee, die bij deze ontwikkelingen nauw betrokken was, is de wereld echter altijd groter geweest dan die van het orgel alleen. Muziek in de breedste zin van het woord boeide hem. Dat impliceerde echter tevens het onderzoeken en kennen van de nieuwere muziek. Wanneer dan in de dertiger jaren de aandacht voor het modale aspect van het kerklied terugkeert, reikt dit voor Kee verder dan koraalspel alléén. De toepassing van modale schrijfwijzen, aangereikt door de Parijse Schola Cantorum, door de Franse componisten in het eerste kwart van onze eeuw had nieuwe terreinen en technieken ontsloten.

Er is dan ook een wereld van verschil tussen de vroegste werken van Kee, en werken als de koraalsuite en Psalm 43, waar harmonische structuur en retoriek van de romantiek hebben plaatsgemaakt voor moditeit en zuiverheid van stijl, ingehouden eenvoud en strenge polyfonie. In de inleiding van de Koraalsuite is verwantschap met het werk van Tournemire bespeurbaar, een componist die vanuit het Gregoriaans op vergelijkbare wijze werkte.

Vanuit die ontwikkeling werden in de jaren vlak voor en tijdens de tweede wereldoorlog de "Psalmen voor orgel' gecomponeerd. Ze verschenen in drie bundels bij Alsbach & Co. te Amsterdam. In de bundels 1 en II werden de bewerkingen elk afzonderlijk aan een organist opgedragen. Sommige van hen waren door Kee bewonderde collega's, anderen waren veelal leerlingen. De derde bundel werd als geheel opgedragen aan zijn zoon Piet Kee, die toen, amper 20 jaar oud, algemeen assistent bij de Hervormde Gemeente van Amsterdam was geworden.

De "Psalmen voor orgel" van Cor Kee vormen een doorbraak, niet alleen in Kee's eigen oeuvre, maar tevens in de geschiedenis van de Protestantse kerkmuziek in ons land. In de eerste plaats is dat te danken aan een strikt toepassen van een modale schrijfwijze, ontleend aan de melodieën van het Psalter.

Het Müller-orgel van de Grote of Jacobijnerkerk te Leeuwarden

Een tweede belangrijk kenmerk wordt gevormd door de aanwezigheid van polyfone vormen als canon en fugato. Maar ook de veel toegepaste motivische verwerkingsvormen kunnen hierbij gerekend worden. Door deze elementen grijpen de bewerkingen terug op de compositorische rijkdom van de Lutherse koraalbewerkingen uit de Duitse Barok, een deel van de orgelliteratuur, dat in de jaren dertig door nieuwe uitgaven weer opnieuw in de belangstelling kwam. In compositorisch opzicht is hierdoor binnen de bewerkingen de consistentie groot en is de zeggingskracht van de inhoud rijker dan in Kee's vroege oeuvre het geval was.

Als derde element van vernieuwende aard moet gewezen worden op het harmonisch idioom. Dit onderging niet alleen vernieuwing door het toepassen van modi, maar ook door het verleggen van grenzen met betrekking tot de toepassing van dissonanten. Veel toegepaste dissonanten vinden hun ontstaan in het kruisen van zelfstandige muzikale lijnen. Daarbij is veel aandacht geschonken aan de plaats van de dissonant binnen de structuur van het metrum. Daarmee is een grote gevarieerdheid van dissonantwerking bereikt, bezien vanuit de optiek van spanningswerking. Andere dissonanten zijn ontstaan vanuit de toepassing van vergaande chromatiek. Het slot van de 33ste Psalm is er een sprekend voorbeeld van. Ook nu nog zei Kee, bij het beluisteren van deze opnamen over dat slot: "Dat was toch wel verrassend", bijna zo alsof het hem zelf nu nog verrast. Men kan zich inderdaad nog voorstellen, hoe deze slotakkoorden het afscheid van de orgelromantiek hebben gesymboliseerd. In Psalm 100, in de derde bundel, werkte Kee het hier aangeduide harmonisch patroon verder uit. In de laatste maar zeker niet minder belangrijke plaats is deze cyclus Psalmbewerkingen ook een geloofsmonument.

Ornament en gratie
Voor de componist heeft ook de verbondenheid met schoonheid en inhoud van de tekst een rol gespeeld. Zo noemt hij bij het beluisteren van de 45ste Psalm zonder aarzeling de passage uit de berijming van 1773, die hem voor ogen stond, waar het om de schoonheid gaat, in klank omgezet in een trio vol ornament en gratie. Het is maar een voorbeeld uit een rij die veel langer kan zijn: de eenstemmige arabesquen, contrasterend met de majestueuze canon in Psalm 19, de verstilling in Psalm 65, de verinnerlijking van Psalm 141 (strofe 2, berijming 1773: "Mijn beê met opgeheven handen, klimm' voor Uw heilig aangezicht"), het zijn allemaal voorbeelden die aangeven, hoe vanuit een doorleefd geloof muziek bij de Psalmen Davids is gemaakt.

Na het verschijnen van de "Psalmen voor orgel" volgde in het oeuvre van Kee een periode van consolidatie, een periode waarin het gevonden idioom toepassing vond in een reeks van koraalgebonden werken, verschenen bij Ars Nova, en toegespitst op gebruik in de Eredienst door amateur en vakman. Voortdurende oriëntatie op het terrein van muzikale ontwikkelingen leidden in het oeuvre van Cor Kee in de jaren zestig tot het inslaan van gehele nieuwe wegen. Veel vrije, niet koraalgebonden werken ontstonden, geschreven volgens vaak sereële schrijfwijzen. Het lijkt niet zonder reden, dat een nieuwe cyclus composities rond de Psalmen, die in die tijd verscheen, de naam "Credo" meekreeg.

Bronvermelding: Jan Jongepier

Schrijf een commentaar: (Klik hier)

123website.nl
Tekens over: 160
OK Verzenden.
Bekijk alle commentaren

Nieuwe commentaren

05.09 | 20:54

Mooie en informatieve tekst

...
03.01 | 14:15

Mooi om (toevallig eigenlijk) hier te komen 20 jaar na het overlijden van Cor Kee.

...
18.02 | 14:09

Zet deze video erbij:
https://www.youtube.com/watch?v=oTsDgY6CqEM.
Kee's muziek klinkt aanzienlijk beter op een fraaie Witte
dan op een electronicum.

...
22.01 | 00:56

Wat een tijd. de vijftige jaren. Wat heeft mijn Opa daar vaak over vertelt, dat hij naar de samenkomsten ging van Hermann Zeiss. Wat een beleving.......

...
Je vindt deze pagina leuk