Enige gedachten over improvisatie

Enige gedachten over improvisatie, speciaal des orgels, in en buiten de eredienst

Door: Cor Kee

Wat is er al niet geïmproviseerd de eeuwen door! Vocaal, instrumentaal, ritmisch, melodisch, primitief, meer ingewikkeld, éénstemmig, meerstemmig, homofoon, polyfoon, spontaan, gebonden, in allerlei stijlen, van kleine intonaties tot grote fuga's toe, met een enkel melodisch lijntje en een rijk omspeelde cantus firmus, enz. enz.... Hoe het zal zijn begonnen? Een oude aantekening geeft als antwoord: ,,het zullen de eerste menschen, Adam en Eva, niet zeker vermogen om te zingen begaafd geweest zijn: voornamelijk omdat zij deeze kracht door God en de natuur, alle menschen, ingeplant zijn."

Praetorius, in zijn 'Svntagma Musicum' is van hetzelfde gevoelen. En het in oude tijden geproduceerde, bijvoorbeeld als lied, zal van mond tot mond gegaan zijn, met de nodige improvisatorische veranderingen. Lang zal het zo in de notatieloze tijd gegaan zijn. We weten van improvisaties, met en zonder patronen, al naar gelang geaardheid van de muzikale begaafdheid.


In de vroege christelijke eredienst wil Paulus, dat de improvisatie niet uitgeschakeld mag worden. Hiervan lezen, we in de eerste brief aan,de Corinthiers, het 14e hoofdstuk, het 26e vers. Legenden vertellen ons ook wel iets. En dan denk ik aan het ontstaan van de antiphonale zangwijze bij de doop van Augustinus door Ambrosius. Toen Ambrosius lofprijzend het Te Deum Laudamus improviseerde, vervolgde Augustinus improviserend, in heilige extase, met het Te Domine Confitemur. Tertullianus heeft het over samenkomsten waar de aanwezigen opgeroepen worden met improvisatorische gezangen, God te prijzen.

Hoeveel liturgische gezangen, waarin het solistische element primair is, zullen rond hun simpele kernmelodie, omhangen zijn geweest met allerlei coloraturen. Soms zeer wisselend. We weten toch van een oude improvisatiekunst op hoog niveau in Rome. Zo rond 600. Het improviseren van een vrij gevonden tegenstem gaf grote voldoening. Of de regels die men daarbij vaststelde, geen remming betekenden voor de improvisator?

Aan de ene kant wel, aan de andere kant niet. Het prikkelde tot een hogere vorm van improviseren. Zoals bij ons het voor de vuist weg spelen van een AB of ABA vorm, of een ricecare, of orgelkoraal volgens voor-geschreven type, of noem maar op met welke aan bepaalde regels gebonden structuur. Men had plezier in het improviseren van 'een canon over het boek', een discantus te componeren én 'ex improviso' voor te dragen, een 'faux bourdon' rijk, uit 't hoofd versierd, voor te dragen en naar hartelust te diminueren en een geostineerd litugisch motief met schone varianten te omkleden.

Toevalsmuziek
In de tractaten wordt gesproken van de 'toevalsmuziek', zowel voor de zangstem als het instrument. Vooral toen het orgel verscheen in zijn portatief-, positief-, en grote orgelvorm, heeft de bespeler daarvan meegedaan in het improvisatieconcert. En zoals we uit de geschiedenis van het orgel weten: met succes!

De organisten, zijn de beste bewaarders van de kunst van het improviseren geweest. 0mdat het orgel er in zijn grote klank-verscheidenheid als 't ware om vraagt en ... de organist er wel toe gedwongen werd. Vooral toen het orgel haar plaats had gekregen in de kerk. Hiér moest een intonatie gegeven worden, daar gealterneerd, dán een lege plek op gevuld en ... u kent het: een vlug naar boven komende koster: ,,Dominee of pastoor wenst ... ! " Dit laatste zal er in verschillende varianten ook altijd geweest zijn. Broodherenimprovisatie. Erg? Helemaal niet. Zeer stimulerend.

Hoeveel is er in de loop der tijden niet in opdracht geïmproviseerd en gecomponeerd? En niet het slechtste. Van vele schone composities weten we dat ze in opdracht ontstaan zijn. Van Ravel weten we dat componeren op een gegeven thema en zich schikken naar een afspraak, zijn fórt was. Wat zou hij graag, zoals Haydn en Lully, voor de vorstelijke verstrooiing gewerkt hebben. ,,De firma belast zich met harmonische reparaties", schertste op een dag de goede Eric Satie. Specialiteit: het omwerken van muziek...... Een symphonie? Alstublieft, mevrouw. Ze ziet er niet erg leuk uit? We kunnen ze voor u omwerken tot een wals, met een tekst eventueel." (uit 'Ravel' van Vladimir Jankélévitsch)

De eerste organisten van naam, Landini, Hofhaimer enz. hebben veel bijgedragen tot de bloei van de orgelimprovisatie. Interessant is het om oude exameneisen in te zien en in gedachten door te nemen. We kunnen er uit leren hoe hoog de improvisatiekunst op bepaalde plaatsen ontwikkeld was. Hier volgt een reglement van rond 1540 uit de San Marco in Venetië:

Ten eerste: over een te geven thema uit een Kyrie of Motet een fantasie in strenge vierstemmige setting, alsof vier zangers zingen.
Ten tweede: een uit het koorboek genomen, cantus firmus in vier stemmen door te fugeren.
Ten derde: een door het koor begonnen Versett van een niet bekende compositie over te nemen op het orgel en modulerend beantwoorden.

En dan staat er bij: 'alles onvoorbereid: d'improviso'. Daar moest dus gewerkt worden en er zal menige goede 'kweekhof' geweest zijn, zoals later gezegd werd van onze Sweelinck:
,dat uit zijne kweekhof verscheidene heldere dappere muziekmeesters kwamen voortspruiten".
Hij wist wat variëren 'd'improviso' was. Zijn Vriend Baudaxtius vertelt ervan en zegt dat toen zij eens op een meiavond bij de meester waren, na veel aandrang - hij had, zegt Baudaxtius:
,,de aert van meest alle musicanten, dat is te zeggen, dat men de treffeliche musiciens niet lichtelich aan het singen of spelen en can brengen, maer als mense daer aangebracht heeft, so cunnen sy qualich ophouden -, sich aan 't clavecymbel had gezet'', en een meiliedje begon te spelen, hij het op vele manieren liet horen. En als we het 'bericht' van Baudaxtius lezen, het er op aankwam, dat Sweelinck zei: ,,Luister vrienden, het kan ook nog 'sus' en ... wacht even, ook nog 'so'. De ware aard van de improvisator, die immers plezier heeft in zijn doen en laten.

En zo ging de improvisatiekunst verder. Af en toe waren er nieuwe velden om te bewerken. In de renaissance: de continuopraktijk. Hoeveel nieuwe mogelijkheden voor de improvisatorisch begaafde. In de barok bijvoorbeeld de versieringskunst. Berichten over oude uitvoeringspraktijken vertellen ons hierover. De achttiende-eeuwse fluitist Quantz zegt over de beroemde zangeres Faustina: ,,zij had een gelukkig geheugen in het gebruik der willekeurige cieraden".
Over het improviseren van versieringen en variatiekunst deze Franse uitlating over een 'concert spiritual' op het slot 'de la Tuillerie' (± 1725): ,,men wist menig galanteriestuk versierd en gevarieerd bij de repries om het luisterrijk te machen, fraaye toon- mengelingen". In onze dagen, actueel, omdat wij deze takken van improvisatie weer hebben leren waarderen. Denk aan de Messiah-uitvoeringen onder Ehmann ten onzent.

Na de sterk 'gefixeerde' romantiek ziet men overal de improvisatie weer een plaats krijgen (nieuwe composities van de avant garde). En de niet verloren, maar wel wat in slaap gevallen improvisatiekunst van de organist, leeft weer. Over een slaaptijd gesproken: de Groningse organist Lustig zegt rond 1756: ,,fugenspel raakt achter de bank, soms nog iets te horen, en, is het voor de verlangende te moede of hij uit kreupelbos in een paradijs komt".

Toch was er hier en daar een 'paradijsspeler', die het probeerde met de fuga's, omdat ik (zoals een organist zegt) ,,aan dit slag van muziek een ongemeen vermaak vond". Hij hield er van zijn improvisatie 'geleerdelijk' te behandelen.

Wat er verder met 'eigen gedachten' gewerkt werd in Lustig's dagen? Bijvoorbeeld tussen de koraalregels voor 'eenige verpoozing te geven aan de zanggemeente en inzonderheid aan de voorzanger, welken keele geene orgelpijpen zijn'. Ook moest de begeleiding van de verschillende 'vaarzen' met 'eigen bassen' voorzien worden. Het 'eene vaars vraagt om een andere bas dan het andere en ,bij een positief en groot orgel behoren andere bassen'. ,,Helaas het variëren der psalmen zij een oude trant, men kan er niet meer mee insunueren."

Terzelfder tijd dat men in Holland 'sliep', was men in Frankrijk nog goed 'wakker'. Hier een Frans bericht van midden 18e eeuw: ,,nog hedendaags moet ieder orgelcandidaat, die in Frankrijk hoop hebben wil tot bevordering, elk op te geven thema, zowel in een twee-, als in een drie- en vierstemmige Fuga, voor de vuist door te werken in staat weezen".

Om niet langer op het vlak van de historie te blijven, dan nú de vraag: hoe je de improvisatie moet beoefenen en ontwikkelen.

Een prima antwoord geeft één van de redactieleden van het Gregoriusblad (Piet Visser) in het februarinummer van '65: ,,de oude improvisatie daarentegen heeft evenals de nieuwe een strakke vormbeheersing tot grondslag. Inspiratie draagt de eerste levende deel aan, zij het een eigen gevonden dan wel een opgegeven thema, dat in zichzelf krachtig genoeg is om de scheppende arbeid van de improvisant levendig te houden, binnen de gestelde vorm. Daar behoren ook ritme, tempo en dynamiek bij, als wezenlijke elementen die nimmer veronachtzaamd mogen worden. Maar dit alles vereist inzicht en oefening. Oefenlng: op dezelfde wijze als de vingeroefeningen de vingers gereed moeten maken, om het klavier af te tasten met een onfeilbaar zekere greep. Het is de enige weg om in een gegeven kader de droom der schoonheid te kunnen benaderen."
Natuurlijk moet, om het te leren, een klankbodem aanwezig zijn. En dan zijn er diverse leerboeken. De één beter dan de ander. Het is de moeite waard ze in te zien en te profiteren van het positieve. Maar bij allen moet toch heel wat aangevuld worden: pedagogisch en psychologisch.

Op de luifel van een oud-hollandse drogisterij in de Kruisstraat te Haarlem staat: ,,beghinnen can ick, volharden wil ick, volbringen sal ick."
Dat is een prachtig devies voor onze studie. En dan de juiste oefening op het juiste moment en de juiste plaats en de studie is in werking: we gaan het ambacht leren. Dàn het ambachtelijke in combinatie met de musiceerdrift trachten samen te laten gaan. Geen eenvoudige zaak. Telkens zullen bepaalde oefeningen vragen om: nog een keer en nóg een keer. En wil je het goed leren en iets bereiken, dan doe je het, waar anderen ophouden, nog een keer extra!

Pijp of sigaar
Probeer te komen tot een goede combinatie van vakbekwaamheid, muzikaal intellect en speelse fantasie. Het laatste niet te vergeten! Het moet een met te disciplinair, dogmatisch en schematisch werken zijn. Géén cliché-werk. De 'improvisatie' in de improvisatie mag niet vergeten worden. Lukt het eens niet: steek een pijp of sigaar op. Geen remmingen kweken. Is het vuur in pijp of sigaar gedoofd, begin dan weer. Een fout gemaakt? Niet geklaagd: het kan een goede inbreng zijn en een, verrassende wending geven. Mediamiek blijven!

Durf risico te nemen. Risico nemen is trouwens een van de rechten van de mens. In onze tijd met zijn volkomen verzekerd te willen zijn, wordt het wel eens vergeten. Het is een belangrijk aspect van de improvisatie. En aan de andere kant: tracht iets af te maken. Laat het een 'Opus' zijn, opdat je van een bepaalde vorm goed weet wat er te koop is. En bij het afmaken: de voordracht niet vergeten. Een goede presentatie hoort bij het eenvoudigste improvisatietje. Ontwikkel de kunst van het serveren. De oudjes wisten het wel: ,,de musikaale smaak wordt, naar 't schijnt, door gestadige oefening reeds fijner en geduurig meer opgescherpt".

Improviseer niet altijd in grote omvang, maar beperk je eens tot de omvang van een octaaf en nog minder, met een simpele registratie als een quintadeen achtvoet. En leer 'aangenaam te zeuren' (dit is geen diskwalificatie). In mijn jonge jaren, heb ik organist Pameijer van de Oude Kerk te Amsterdam nogal eens vóór de dienst horen improviseren en ik werd dan geboeid door zijn aangename 'zeurtechniek' met weinig toetsen. En een andere keer doe je het weer met veel van het toetsenbord een daarbij: appassionata! Of hier geen gevaar schuilt voor de kerkorganist-improvisator?

Kerkelijk improvisatiekoorddanser
In Musica Sacra (redactie Willem Mudde) van december '66 las ik in een artikel over de geestelijke muziek van Max Reger, geschreven door Oskar Söhngen: ,,tegenwoordig komt er een evenwicht, omdat men heeft ingezien (!) dat ook de kerkmuziek de emotionele gloed en de warmte van een echt engagement niet kan ontberen". Heerlijk vind ik zoiets. Daar heeft een kerkelijk-improvisatie-student wat aan. Je leert een gezonde kerkelijk-improvisatie-koorddanser te zijn. Op het slappe koord beweeg je je het best door dan iets naar de éne en dan iets naar de andere kant over te hellen en twee benen te gebruiken. Met één lukt het niet!

Ja, als we goed luisteren, wat kunnen de liturgische zangen dan 'zeer veel stoffe leveren' in gezond samengaan van objectiviteit en subjectiviteit. 't Is òb- en sùb- en sùb- en òb -. Het gestadig stuivertjewisselen houdt de zaak levendig!

Aan te bevelen is het steeds weer maken van 'hygiënische' oefeningen, ook al ben je ver gevorderd op de weg: kleine stukjes spelen in verschillende toonsoorten, diverse maatsoorten, vooraf vastgestelde tempi, toepassen van allerlei ritmiek (een mens vervalt zo gauw in eigen bewegingen, denk aan het monotone in achtsten spelen!), canons maken (vele koralen lenen zich er prima voor), bewust fraseren, maak bijvoorbeeld een vooraf geschreven bogenoefening:

Wellicht raar om te zien en te doen. Maar proefondervindelijk weet ik de waarde hiervan. En bij dit alles: de articulatie goed verzorgen. Op zijn tijd moet iedere improvisator een bad nemen met een lekker zachtgeurend zeepje. Dan zal een bicinumpje of het spelen van een enkel 'amentje' weldadig klinken.
Improviseer dirèct èn met vóórbereiding. Ik vind één van de leuke dingen bij het improvisatie-concours in Bolsward, dat deze beide aspecten aanwezig zijn: de eerste opgave is het improviseren van bijvoorbeeld een partita, direct, zonder voorbereiding, op het koororgel en de tweede een improvisatie mèt voorbereiding op het grote orgel.

Leer goed te fatsoeneren, boetseren, structureren, concretiseren en wat er verder te '-eren' valt om effectief de orgelimprovisatie te studeren. Als 'coda' een paar klankidioom-oefeningen, waarbij tevens de concentratie en de smaak een goede beurt krijgen:

Oefening 1: Speel het koraal ,,Christe, uqi lux est et dies'' in de protestantse bundel 'Avondzang', regel voor regel in het pedaal, gevolgd door een kwint hoger gespeeld, in manuaal met wijde parallel-drieklanken.
Oefening 2: Speel met drie stemmen smaakvol, melodisch en ritmisch afwisselend, met parralel-drieklanken (eng) wijde 6/4 accoorden en sext-accoorden. Later een enkele noot in het pedaal toevoegen. Er ontstaat dan een orgelpunt. Het is leerzaam om orgelpunt-oefeningen te maken.
Oefening 3: Bewerk nog eens voor bovengenoemde koraal. Nu zo: pedaal regel voor regel, gevolgd door manuaal in de kwint, vlugger beweging, dan in gelijke ritmiek en elke regel besluiten met onderstaand accoord (wijde drieklank plus reine kwinten)
Oefening 4: Speel laatstgenoemd accoord in parallellen en gebruik het later in een klein meditatief stukje.
Oefening 5: Speel het koraal 'Allein Gott in de Höh sei Ehr' in parallel-drieklanken zonder terts, op onderstaande toccatina- manier. Daarna met vrije tegenstem in de linkerhand.

Cor Kee

(Bron: Het Orgel 63e jaargang 6 juni 1967)

Schrijf een commentaar: (Klik hier)

123website.nl
Tekens over: 160
OK Verzenden.

Dhr. Arno Frissen | Antwoord 09.07.2014 00.44

Ik vind dit een ZEER leerzame pagina en hoop dat er meerdere reacties en suggesties rond het improviseren mogen verschijnen ( hopelijk in boekvorm)

Bekijk alle commentaren

Nieuwe commentaren

05.09 | 20:54

Mooie en informatieve tekst

...
03.01 | 14:15

Mooi om (toevallig eigenlijk) hier te komen 20 jaar na het overlijden van Cor Kee.

...
18.02 | 14:09

Zet deze video erbij:
https://www.youtube.com/watch?v=oTsDgY6CqEM.
Kee's muziek klinkt aanzienlijk beter op een fraaie Witte
dan op een electronicum.

...
22.01 | 00:56

Wat een tijd. de vijftige jaren. Wat heeft mijn Opa daar vaak over vertelt, dat hij naar de samenkomsten ging van Hermann Zeiss. Wat een beleving.......

...
Je vindt deze pagina leuk