1957: De Improvisatieleraar

Woensdagavond zenden wij een orgelbespeling door Cor Kee vanuit van de Ronde Lutherse Kerk uit. Toen wij deze mededeling in het voorlopig programmaschema zagen staan, bedachten wij, dat het een aanbeveling zou zijn eens naar Cor Kee toe te gaan en u daarna het een en ander over dit bezoek te vertellen.

Overigens zou het bezoek niet zozeer de organist als wel de improvisatieleraar gelden. Immers het begint zo langzamerhand wel heel erg op te vallen: zes internationale wedstrijden zijn er in Haarlem geweest. Viermaal won een leerling van Cor Kee. ''Nou ja," zal men opmerken ''drie keer was 't zijn eigen zoon Piet." Toegegeven, maar er is een paar weken geleden een voorwedstrijd geweest, waarin bepaald zou worden wie er dit jaar naast Klaas Bolt, winnaar van vorig jaar en leerling van Cor Kee, de Nederlandse kleuren zou verdedigen op 't Internationale Orgelconcours 1957. Winnaar van deze voorselectie werd Wim Dalm, eveneens leerling van Cor Kee. De hoogstgeplaatste na hem was een leerling van Cor Kee. Als men dit alles bedenkt, dan vraagt men zich af: welk geheim kent Cor Kee, dat hij die moeilijke kunst aan anderen kan aanleren? Om U daarover iets te kunnen vertellen hebben we een onderhoud aangevraagd, dat gaarne toegestaan werd.

Licht en verfijnd
Hij ontvangt in zijn studeerkamer aan een rustige straat in Zaandam. Eén van de wanden is door boeken ingenomen. Verder staan er een mooi, antiek, notenhouten bureau, een vleugel, een harmonium en een klavechord. Dit laatste wordt gebruikt om de aanslag licht en verfijnd te maken. Het is een verheugend verschijnsel dat er de laatste tijd weer orgels gebouwd worden, waarbij de wijze van indrukken van de toets van belang is. Op een lessenaar ligt een grote Statenbijbel met glanzend-koperen sloten.

Hoe leert U nu aan een ander om te improviseren? Kee blijkt zich van deze materie een helder en scherp, belijnd beeld gevormd te hebben en zet alles zeer duidelijk geformuleerd uiteen. Cor Kee spreekt op een prettige, gemakkelijke, intelligente en toch warme wijze die iets meeslepends heeft. Zonder twijfel wijkt zijn methode af van de gangbare methodes. Maar wat zijn de gangbare methodes? "Jarenlang hing het improviseren er als leervak maar een beetje bij. Door het Haarlems concours is er een ommezwaai in de belangstelling voor de improvisatiekunst gekomen. Men bezint zich op vernieuwing van verouderde systemen. Bij het onderricht in het improviseren, dus niet bij het improviseren zelf staat het intellect voorop. Men moet immers een vak, een metier, leren beheersen en dat leren gaat hoofdzakelijk via het hoofd". Cor Kee neemt alleen een leerling aan als deze goed kan orgelspelen, goed muziek-theoretisch is onderlegd, over een redelijk goed intellect beschikt en 'als hij ook verder iets in hem ziet!'

In de maat
Het eerste wat Cor Kee leert en eist is: in de maat spelen. Dit blijkt voor organisten zo mogelijk nog moeilijker als voor zangers te zijn. ''Ze moeten leren om, terwijl ze toch als 't ware midden in hun instrument zitten, te luisteren, alsof ze ergens ver weg zaten te luisteren. Ze moeten leren onderscheiden tussen de grote lijnen en de details. Ze moeten leren vermijden om zich, vastbijtende in een detail, de grote lijn uit het oog te verliezen.''

Als op de les een fout wordt gemaakt, dan wordt er op deze fout gewezen. Maar er wordt met vele fouten ook iets anders gedaan. Wanneer men improviseert wordt men door een fout gemakkelijk afgeleid en onzeker gemaakt. Cor Kee leert mensen dan hoe een fout niet meer als een fout mag worden gezien maar deze als nieuw element in de improvisatie moet opnemen.

Dit is natuurlijk logisch vanuit de gedachte aan wat eigenlijk een improvisatie is. Daarin is een fout niets anders dan iets onvoorziens, wat aangenaam of onaangenaam kan zijn, maar verwerkt moet en kan worden. Dit is een niet onbelangrijk aspect van het improvisatieonderricht.

Climax en anticlimax
Veel organisten zien een improvisatie eigenlijk als een groot, enorm crescendo. Ze willen steeds maar meer en steeds maar hoger. Cor Kee leert zijn discipelen de afwisseling van climax en anticlimax, van elan en repos; en dat binnen bepaalde grenzen, binnen een beperkte omvang. Wanneer hij met hen bezig is het improviseren van een fuga te behandelen, begint hij niet met de expositie van het thema. Kee laat hen het thema spelen op 't pedaal in de dominant, de onderdominant en de parallel terwijl ze hun rechterhand in de zak moeten houden en met de linkerhand een tegenstem moeten spelen. Er zijn er die hem op zo'n moment een beul vinden. Toch heeft hij gelijk. Als ze dit kunnen komt die expositie vanzelf en zullen ze in de verdere uitwerking tenminste niet stranden. Ze moeten op alles voorbereid zijn. Dat geldt ook ten aanzien van de registratie. Wanneer ze ergens zullen gaan improviseren, dienen ze weken van tevoren de dispositie van het betrokken orgel uit het hoofd te kennen. ''Men moet alles denken en realiseren vanuit de dispositie van het orgel.''

Volgbas
"
Er zijn zoveel dingen waarop men moet letten. Het improviseren van een trio is héél moeilijk. Waarom eigenlijk? Omdat de onderste stem die gemeenlijk in 't pedaal genomen wordt, zo gemakkelijk in een volgbas ontaardt en het dan geen trio meer is, maar een duo met basbegeleiding. Hieraan wordt ook steeds speciale aandacht besteed''.
Cor Kee speelt zijn leerlingen heel zelden voor. En als hij 't al een keer doet dan krijgen zij van tevoren de waarschuwing: ''denk er aan, wat ik nu speel wil ik van jullie niet weer horen!'' Hij doet dit zeer bewust om geen epigonen te kweken, maar in elk van zijn leerlingen de eigen aanleg en de eigen initiatieven tot ontplooiing te laten komen. Hoe langer men Kee hoort vertellen, hoe meer men overtuigt raakt dat het eigenlijk in woorden niet te vatten is. Er gaat van Kee bezieling uit, een meeslepend inspirerend enthousiasme dat een grote uitwerking op zijn leerlingen moet hebben. Kee is gewend lang met zijn leerlingen te werken. Zij zijn dan vaak doodmoe. Hijzelf trouwens ook, maar hij is sterk en dat kan men hem aanzien. Overigens eisen deze lessen enorm veel van leraar en leerling. De grootste concentratie, tegenwoordigheid van geest, besluitvaardigheid en soepelheid.

Verstand of hart?
En dan komen wij weer terug bij wat het meest in het geding is bij het improviseren: het verstand of het hart of..? ''Och'' zegt Kee ''er zij er die zeggen dat het allemaal uit het hart moet komen en ze komen niet verder dan vormloze, gevoelige stukjes. Anderen zeggen dat het een kwestie van beheersing van het vak is. En als het daarbij blijft kan het knap zijn maar is het dor en steriel. Het is eigenlijk zo eenvoudig. Ook improviseren is 'God dienen.' Het eerste en grote gebod luidt immers: 'Gij zult de Here uw God dienen met geheel uw hart, met geheel uw ziel, met geheel uw verstand en met al uw krachten.' Eerst uit een harmonisch samengaan van deze factoren kan dan ook het goede improviseren geboren worden.''

Cor Kee is geen figuur die graag aan de weg timmert. Aan de ene kant ziet hij er tegenop en toch kan hij het waarderen dat hij uitgenodigd is om in de Zomer Akademie 1957 van het internationale Orgelconcours te Haarlem als docent voor improvisatie op te treden. Zonder twijfel zal dit feit voor vele organisten in binnen- en buitenland het volgen van deze Zomerorgelcursus des te aantrekkelijker maken.

(Bron: NCRV-gids 27 April 1957)

Cor Kee met drie facetten van Nederlandse orgelmuziek

Het is niet altijd even goed gegaan met de orgelkunst in ons land. Na een periode van grote bloei, van 1550 tot 1650 ongeveer, kwam er een inzinking, vooral op compositorisch gebied, die een paar honderd jaar lang duurde. Vrijwel niets belangrijks is er uit de tijd na 1650 bewaard gebleven.

Door P. Zwaanswijk

En toch was er in ons land voldoende belangstelling voor het orgel en in het bijzonder voor de bespeling ervan. Daarvan getuigen de prachtige grote orgels die bijvoorbeeld in de achttiende eeuw, te Gouda en Haarlem, gebouwd werden. Daarvan getuigen ook de functie van stadsorganist, die in verscheidene steden bestond. Maar ondanks die belangstelling zou het met de orgelkunst toch bergafwaarts gaan naar een dieptepunt van smaak, in welke nederwaartse gang een kentering zou komen in het begin van onze eeuw. Die kentering was misschien onbewust al voorbereid door die enkele organisten, die met begrip zorgden voor de handhaving van goede kunsttradities. Zij hadden het niet gemakkelijk in hun strijd tegen de algemeen gewaardeerde wanproducten als „De Zeeslag bij Doggersbank" en „De slag bij Waterloo", maar zij hebben er toch toe bijgedragen dat het zuivere inzicht in de orgelkunst ging groeien en dat tenslotte een renaissance doorbrak omstreeks 1920, die gepaard ging met de vorming van een generatie van uitstekende Nederlandse orgelcomponisten.

Het programma voor de gemeentelijke orgelbespeling in de Grote Kerk op dinsdagavond te Haarlem, gaf een duidelijk beeld van die historische ontwikkeling. Organist Cor Kee, de vader van de stadsorganist Piet Kee, had dit programma in kunstzinnige. maar ook in didactische zin zo samengesteld. Het was daarom begrijpelijk, dat de deelnemers aan de Haarlemse Zomeracademie voor orgel bij deze bespeling allen aanwezig waren. Maar ook was het verheugend dat er zovele andere belangstellenden waren gekomen.

Cor Kee gaf zijn programma als ondertitel: drie facetten van de Nederlandse orgelmuziek.
- Het eerste facet werd gevormd door de Fantasie op de manier van een echo van J.P. Sweelinck (1562-1621). een Madrigaal van Cornelis Schuyt (1557-1616) en door een Psalmduo (over Psalm 16) van Hendrik Speuy (omstreeks 1600).
- Het tweede facet betrof werken van Hendrik Andriessen (Troisième Choral) van Jan Mul (Adagio) en Albert de Klerk (drie Inventionen)
- In de derde afdeling werden ondergebracht composities van Jacob Bijster (Allegro Vivace)vit-neet. Van Cor Kee zelve (de 77ste Psalm) en van de jonge organist Willem Vogel (Preludium en fuga). Uit deze indeling volgt de conclusie dat Cor Kee de geloofsrichting van de genoemde componisten leidinggevend heeft doen zijn bij de groeperingen want verschillen van generaties en stijlen vervallen voor de laatste twee „facetten“. Deze gaven vooral een indruk van de situatie waarin de orgelcompositiekunst in Nederland verkeert en deze indruk was zonder restrictie verheugend.

Dat bij de laatste twee groepen van in totaal zes, vier Haarlemse componisten aangetroffen werden, bewijst weer eens de betekenis van Haarlem als orgelstad. Over het werk van deze Haarlemse componisten is reeds veel geschreven. Van de bewerking van de 77ste Psalm van Cor Kee moeten de zuivere orgelstijl en de geïnspireerde omspelingen van de cantusfirmus vermeld worden. Het Preludium en Fuga van Willem Vogel zal zijn weg als bondig, fris en pittig werk wel vinden. Wat Sweelinck, Schuyt en Speuy bijna vier eeuwen geleden begonnen, heeft in onze dagen zijn voortzetting gevonden, zij het dan met nieuwere middelen en uiteraard met een persoonlijk accent.

Cor Kee toonde zich bij de uitvoering van al deze orgelmuziek een voortreffelijk instrumentalist in zijn technische beheersing, een eminent kunstenaar door de muzikale geladenheid van zijn spel. De bespeling werd besloten met een vrije improvisatie over een opgegeven thema, dat in zijn wisselende melodische betekenis grote problemen opwierp. Cor Kee pakte het thema echter aan op een gedurfde, haast Messiaense manier. Hij liet zich niet binden door dit uitdagende gegeven. maar hij bond dit juist van zijn kant met een ongebreidelde fantasie, die ontleedde waar het nodig was, maar die ook samen wist te bundelen als dit logisch werd voor de gehele ontwikkeling. Deze improvisatie, grillig door allerlei contrasten klonk als een revanche op de opgelegde moeilijkheid, ja als een glorieuze overwinning.
 
Bron: Haarlems Dagblad 17 juli 1957

Drie aspecten van Nederlandse orgelmuziek

TER GELEGENHEID van de Haarlemse orgeldagen zijn er een aantal prominente figuren uit de internationale orgelwereld in ons land, die van deze gelegenheid gebruik maken, de Nederlandse orgels van meer nabij te gaan bezien, beluisteren en bespelen. Allen zonder uitzondering staan zij verbaasd, op een zo klein oppervlak van de aardbodem zoveel uitstekende instrumenten aan te treffen.

Orgels uit de bloeitijd van de West-Europese orgelbouw, tot op de kleinste dorpen, bekostigd uit overheidsgelden of gesticht door particulieren met een generositeit zonder weerga. Instrumenten die nagenoeg tweehonderd jaar staan en die een klank voortbrengen die bewondering afdwingt. Allen getuigen zij van een diepe eerbied voor deze oude bouw, maar allen hebben zij ook een groot respect voor de prestaties van onze hedendaagse orgelbouwers.

 De regeringsgevolmachtigde van de Oostenrijkse monumentenzorg, ir. Egon Kraus, met wie wij dezer dagen een gesprek hadden, is van mening, dat de Nederlandse orgelkunst onzer dagen een bijzonder hoog niveau heeft bereikt. Dit peil weerspiegelt zich ook in de orgelcomposities van de oude èn van de jongere Nederlandse school, waarvan Cor Kee op zijn druk bezocht concert in de Haarlemse Sint Bavo een representatief programma speelde.

De zestiende eeuw was vertegenwoordigd door Sweelinck met een van zijn Echo-fantasieën, Cornelis Schuyt met een madrigaal en Hendrik Speuy met een duo over Psalm 116 op een melodie van Maistre Pierre. In de fantasieën van Sweelinck speurt men het tasten naar de polyfone vorm voor het orgelspel. Zijn figuratieve tegenstemmen, herinnerend aan de stijl der virginalisten, vragen een voorzichtige en vooral heldere registratie. Cor Kee bracht de Echowerking tot stand met een lichtere, minder scherpe kleur, en zocht de contrasten (gelukkig) niet in een kleiner aantal decibels. Het tweede aspect werd vertegenwoordigd door de school van Hendrik Andriessen: diens Troisième Choral, niet alleen naar de titel van Franse aard, maar in karakter een regelrecht vervolg op Franck en dan vele stappen verder met een niettemin uitsproken Nederlandse. Een stuk dat de orgelklank met een rijke fantasie organisch ontwikkelt naar een sterke climax.

Van zijn leerling Jan Mul hoorden we een Adagio, een donker stemmingsstuk van interessante harmonische bouw op een sonoor basthema; van Albert de Klerk een drietal Inventionen, speelse invallen van een habiel organist, die een behoorlijk ontwikkeld stijlgevoel en een goede smaak vragen om ze te spelen zoals Cor Kee ons deze avond liet horen.

Van andere factuur, ontstaan ook in een ander milieu, zijn de drie laatste stukken die het programma vermeldden: Bijsters Allegro vivace, Psalm 77 van Cor Kee en een Preludium en Fuga van Willem Vogel. Hier wordt zeer vrij omgesprongen met het thematische materiaal, echter met een schoon en respectabel resultaat; in de Psalmbewerking van Kee met een knappe contrapuntische bewerking in een sprekende registratie. Cor Kee sloot zijn concert met een improvisatie op een door Jos. Fr. Doppelbauer opgegeven thema, dat met zijn kwintsprongen naar omhoog bijzondere moeilijkheden bevatte. Kee gebruikte het dan ook niet in zijn geheel en wist van dit soms bizarre gegeven door een herhaling van de inzet een gesloten geheel te vormen, waarbij hij zich een bekwaam kenner van de mogelijkheden van het orgel toonde.

P. V.

Bron: Algemeen Handelsblad 17-07-1957

Schrijf een commentaar: (Klik hier)

123website.nl
Tekens over: 160
OK Verzenden.
Bekijk alle commentaren

Nieuwe commentaren

05.09 | 20:54

Mooie en informatieve tekst

...
03.01 | 14:15

Mooi om (toevallig eigenlijk) hier te komen 20 jaar na het overlijden van Cor Kee.

...
18.02 | 14:09

Zet deze video erbij:
https://www.youtube.com/watch?v=oTsDgY6CqEM.
Kee's muziek klinkt aanzienlijk beter op een fraaie Witte
dan op een electronicum.

...
22.01 | 00:56

Wat een tijd. de vijftige jaren. Wat heeft mijn Opa daar vaak over vertelt, dat hij naar de samenkomsten ging van Hermann Zeiss. Wat een beleving.......

...
Je vindt deze pagina leuk